Kijk, dat is nog eens een titel. Niet zelf verzonnen, hoor. Het is de titel van de tweede lezing van de ArcheoAcademy in het Flipje en Streekmuseum in Tiel.
Aardewerkspecialist Julie van Kerckhove gaat ons vanavond meenemen naar de tijd net na de Gallische oorlogen.

In zijn boek Commentarii de bello Gallico laat Julius Ceasar zich er op voorstaan iedereen te hebben omgebracht in de veroverde gebieden. Maar klopt dat ook?
Simpel antwoord: dat weten we niet.

Moeilijk antwoord: dat weten we niet, maar we kunnen wel onderzoek doen naar… aardewerk. Want dat zegt ons iets over de mobiliteit van mensen. Ziedaar, de herkomst van de titel.

Op de tafel voorin het zaaltje boven in het museum liggen scherven aardewerk en een klein half kommetje. Julie belooft dat we ze later mogen zien én vasthouden. Ook is de zaal archeologie open voor een bezoekje na de lezing.

Op vier plekken in Tiel (vlakbij mijn huis zelfs) zijn veel scherven gevonden uit de tijd van net na de Gallische Oorlogen. We hebben het over de tijd van na 50 voor Christus. Meer dan 12.000 fragmenten, groot en klein.

Aardewerk blijkt een verrassende bewijslast te kunnen dragen. Door heel Europa zijn scherven en delen van aardewerk gevonden en door de grondstof (klei), de vorm, de versiering, de hardheid, de baktemperatuur, het glazuur, handgevormd of gedraaid is veel te determineren. En daardoor is veel aardewerk redelijk precies te dateren en geografisch te plaatsen.

Van veel handgevormd aardewerk dat in de Romeinse invloedsfeer tot aan de Limes is gevonden, werd gezegd dat het om lokaal aardewerk ging, huisvlijt van lokale gezinnen. Nee, dan het Romeinse aardewerk. Gedraaid, geglazuurd, glanzend. Dat is in veel literatuur beschreven en is het eerste waar men aan denkt als men het over de Romeinen heeft.
Maar dit lokale aardewerk is net zo interessant en het onderzoeken waard.

Het onderzoek wordt op drie manieren gedaan.
* Met slijpplaatjes onder een microscoop om zo de samenstelling te bepalen. (Een flinterdun schijfje wordt van het aardewerk geslepen.)
* Door bakvergelijking. Diverse soorten klei worden op verschillende temperaturen gebakken en de uitkomsten worden vergeleken met de monsters.
* En met XRF (röntgenfluorescentieanalyse). Tien gram aardewerk wordt vermalen en met XRF wordt bepaald wat de chemische samenstelling is.

Verrassende uitkomst uit de monsters van Tiel was dat een groot deel uit de Lippe regio afkomstig was. De Lippe was de eerst beoogde grens van Germanica. Het is logisch dat hier mensen woonden die de Romeinen redelijk goed gezind waren. Ze zullen met toestemming van de Romeinen hun hebben en houden hebben opgenomen om te verhuizen naar wat nu de Betuwe is. En hun aardewerk namen ze mee.
Dit aardewerk is ook gevonden bij Fort Vechten. Vermoedelijk hebben mannen uit de omgeving van Tiel dienst gedaan in Vechten.
Ook de plattegronden van de gelokaliseerde bebouwing zijn sterk vergelijkbaar met vondsten uit het Lippe gebied.

Van Julie krijgen we scherven, slijpplaatjes en het kleine kommetje aangereikt die door de rijen worden doorgegeven.
Ik heb een stukje met een oortje in mijn hand. Het is wat zwart uitgeslagen. Dat is roet van het koken, zegt Julie. En in één keer wordt hiermee de tijd overbrugd.

En heeft Ceasar in alle veroverde gebieden iedereen laten vermoorden? Dat weten we nog steeds niet. Wellicht zijn de inwoners gevlucht, of slaaf gemaakt, of gevangen. Of gedood.
Wat we wel weten is dat uit de tijd vlak voor 50 voor Christus geen vondsten zijn gedaan met graven en ander materiaal. Tenminste nog niet.
De groepen uit de Lippe regio kwamen in een vrijwel leeg gebied terecht en bouwden hier hun leven op.

Wel een heel ander verhaal dan de geschiedenisboeken in mijn jeugd lieten weten. Ik zie nog het tekeningetje voor me. Een gezin op een houten kano, bijna een boomstam, dierenhuiden omgeslagen, woeste haardos. Ziedaar de edele Bataven die bij Lobith Nederland binnendreven op de Rijn en hun naam gaven aan de Betuwe.


Plaats een reactie