Ik ga op bezoek bij een honderdjarige.

Ik stap een halte eerder uit dan ik van plan was en loop over het fietspad naar het centrum. Het fietspad is aangelegd op het tracée van de voormalige spoorlijn Geertruidenberg – ’s Hertogenbosch. Het is zonnig en fris, en ik loop het laatste stukje wel.
In de verte zag ik de minaret-achtige toren al en dat is mijn baken voor dit korte wandelingetje. Bij de Stationsstraat, waar eens het station stond, ga ik rechts de stad in. Want Waalwijk is een stad, sinds 1303 al.

Na de Reformatie was het voor Rooms-Katholieken verboden hun godsdienst in het openbaar te beoefenen. Ze mochten wel bij elkaar komen, maar niet zichtbaar, vandaar dat er overal schuilkerken in gebruik waren. Ook hier in Waalwijk. Het kerkgebouw was een schuur, niet zichtbaar vanaf de weg en niet herkenbaar als kerk.
Vanaf 1798 was openbaar belijden van hun geloof weer toegestaan voor de Rooms-Katholieken. In 1829 was er een nieuwe kerk, een Waterstaatskerk.

Tachtig jaar later was de kerk te klein voor de vele bezoekers en toe aan noodzakelijke én dure reparaties. Plannen werden gemaakt voor een nieuwe kerk, op dezelfde plek.
Kapelaan Suys van de Sint-Jansparochie was op pelgrimstocht naar het Heilige Land geweest en was bevriend geraakt met Jan Stuyt, een architect die veel kerken heeft gebouwd. Stuyt kreeg in 1908 de opdracht een ontwerp te maken voor deze nieuwe kerk. Geldgebrek deed het ontwerp in een la belanden.

Na de onderwijspacificatie in 1920 waarbij de financiering van bijzonder en openbaar onderwijs werd gelijkgesteld, kwam er veel geld vrij. De parochie hoefde nu niet meer zelf de salarissen van de onderwijzers te betalen. Er kwam ook nog een erfenis en men verhoogde de pacht op de kerkbanken.

In 1922 kreeg Hendrik Valk de opdracht een nieuwe kerk te ontwerpen. Stuyt was zijn oudere collega en mentor en droeg hem voor. Zijn eigen orderportefeuille zat al vol. En waar kwam deze Valk mee op de proppen?

Als ik de Kloosterwerf inloop, langs een voormalige kloosterboerderij uit 1440, duiken de koepels van de kerk uit 1925 voor me op. Negentien koepels telt het gebouw, deels in groen uitgeslagen koper, deels nieuw bruin koper. De bruine bakstenen zijn her en der afgewisseld met groen geglazuurde bakstenen.

Ik stap binnen en de geur van wierook is het eerste dat opvalt. Dan de enorme ruimte, de ramen, het zonlicht dat de ruimte mysterieus verlicht met jakobsladders. Het is er donker door de bakstenen bogen, maar gaandeweg wennen mijn ogen aan het licht in de kerk.

Het voelt Oosters aan, maar tegelijk ook heel Nederlands. Het is de grootste neo-byzantijnse kerk in Nederland, maar het heeft ook invloeden van de Amsterdamse school. En baksteen is natuurlijk wel heel erg van hier.

Enkele opvallende elementen:

  • het koperen baldakijn boven het hoofdaltaar. Het hoofdaltaar zelf is van een heel bijzondere marmersoort in de vorm van een Grieks graf, maar het baldakijn lijkt wel van leer. En dat is ook logisch. Hier in Waalwijk en omgeving zaten leerverwerkende bedrijven. Kunstig om een materiaal als koper een vloeibare of plooibare uitstraling te geven.
  • De kruiswegstaties, uit haut relief terracotta tegels. De kunstenaar Charles Eyk kreeg de opdracht in 1939. Elf van deze staties zijn gepolychromeerd, dus beschilderd, maar de eerste drie niet. In 1939 legde Eyk het werk neer, omdat hij weigerde lid te worden van de Kulturkammer. Na de oorlog zijn deze drie niet meer beschilderd.
  • Een Mariabeeld uit de jaren 1950, gemaakt door een kunstenaar die ook bij de Efteling werkte aan bijvoorbeeld Sneeuwitje. Het is misschien wel de liefste Maria die ik ooit heb gezien. En het kindje Jezus is gewoon schattig.
  • In de hal aan de westkant zie ik geglazuurde groene en okergele wandtegels, nogal beschadigd vind ik. Wat blijkt? In de jaren ’80 werd deze tegellambrizering weggewerkt achter een donkerbruine latjesbetimmering met raggels erachter. Hup, de spijkers dwars door de tegels heen. Overal in de kerk zie ik ineens die bruine latjes. Ik vraag aan de gastvrouw of daar ook die tegels achter zitten. Ja dus! Restauratie zit in de pijplijn, maar kost wel wat.
  • een werkelijk schitterende kroonluchter. De gastvrouw vertelt dat die uit Veghel komt, uit een niet meer bestaande kerk, maar wel uit hetzelfde tijdvak. Ze legt uit dat in de jaren ’80 nog veel meer op de schop was gegaan dat nu is teruggedraaid. Alle banken weg, er kwamen kuipstoeltjes (nu staan er weer banken). En de verlichting werd vervangen door een ster van TL-buizen (nu hangt er deze passende kroonluchter).

Buiten is ook genoeg te zien. Alle negentien koepels zijn bedekt met koper, vastgezet op houten panelen. Het koper wordt nu vervangen, waardoor straks het groene silhouet weg is. Zal even wennen zijn voor de Waalwijkers. De gastvrouw laat me een oud stuk koper zien, dat gevouwen is als ware het een palmblad. Er ligt ook een stuk koper met een rafelig gat. Granaatinslag. In de Tweede Wereldoorlog lag dit gebied in de frontlinie en ook de kerk raakte beschadigd.
In de koepel zag ik donkere plekken in de bakstenen. Geen vocht, maar herstel van de granaatschade, maar voegmortel op de juiste kleur krijgen lukt eigenlijk nooit.

De kerk staat hoger dan het plein eromheen, en dat was ook de intentie van de architect. 8000 kuub grond heeft hij laten opwerpen, zodat de kerkgangen konden opgaan naar het huis van God.
De ingangen zijn als een soort trechters vormgegeven, waardoor je als het ware naar binnen worden getrokken.
De toren heeft een opvallende entree. Die komt uit de oude Waterstaatskerk, maar is waarschijnlijk van een herenhuis uit de 17e eeuw. Achter die ingang is de Mariakapel die zeer verrassend is ingericht.
De zachtgekleurde reliefs aan de muren stellen momenten uit Maria’s leven voor, in een bijna kinderlijke stijl, bijna naief, maar erg fraai. En heel bijzonder.


Plaats een reactie