Wandelconcert. Ik heb dat heel letterlijk opgevat. Ik ben ook naar het eerste concert gaan wandelen. Maar liefst ruim 19 km, met 125 hoogtemeters.
Ik stap op station Den Haag in de verkeerde tram, stap na twee haltes over op de goede, stap uit aan de voet van het Seinpostduin en realiseer me dan dat de boulevard nog steeds overhoop ligt, loop een aantal keer vast op hekken, dan een pad in de duinen dicht. Begint goed, vandaag.
Gelukkig was gisteravond een mooie opmaat naar vandaag. In de Waalse Kerk woonde ik Bach op vrijdag bij. Muziek van Bach als een omlijsting van muziek van Fash, én drie vrouwelijke componisten, Amy Beach, Anna Bon di Venizia en Barbara Strozzi. Van Bach horen we de Prelude en Fuga in C BWV 546 en Cantate 123: een sobere cantate in zes delen. Prachtig.
Maar nu, nu loop ik naar het wandelconcert in Katwijk. Na een frisse heldere nacht volgt een stralende dag, veel zon, lekker fris windje uit het oosten. Het mooie weer lokt ontzettend veel mensen naar buiten. Als ik net op weg ben, gaat het nog, maar het wordt hoe langer hoe drukker onderweg.
Bij de watertoren vind ik het tijd voor pauze. Naast de watertoren staat een klein restaurant: Onder de Watertoren. In een zeer modern betonnen gebouw dat uit het duin lijkt op te rijzen. In 1947 begon hier Leen Boogaard met een bakfiets van waaruit hij ijsjes verkocht. Naast hem stond nog iemand met een bakfiets die frisdrank verkocht. In 1956 kwam er een snackwagen. In 2010 kwam dit nieuwe gebouw gereed, inmiddels onder nieuwe eigenaren.
In de zon op het terras laat ik me de koffie mét goed smaken.
De watertoren is uit 1874, een massief ogend achthoekig gebouw in de Eclectische stijl, met gebruikmaking van Romaanse en Renaissance motieven. Het is de eerste toren in Nederland waarbij het waterreservoir is ingepakt in een bakstenen muur. Onder het koperen dak is de toren nog steeds in gebruik. Bij Dunea, vroeger het Haags Duinwaterleidingbedrijf.
Als heuvelend en hobbelend ga ik verder de duinen door. Ik ben soms wel een kilometer van de zee vandaan, maar op uitkijkpunten kan ik er glimpsen van opvangen. Het wordt erg warm op de paden en ik weet nu weer waarom ik liever niet wandel als het zo zonnig is.
Hoe onstaat een duin eigenlijk? Het is een heuvel van fijn zand langs de kust, een rivier of in een zandwoestijn. Zand dat verwaait vormt een heuvel, die steeds groter en hoger wordt. Het zand wordt aan de kust vastgelegd door het planten van helmgras. Een gebied met meerdere duinen, een duinlandschap, is een systeem, waarbij wind en water door hun dynamische werking duinen soms van plaats doen veranderen.
Het grootste deel van de Nederlandse duinen zijn grijze duinen. Aan zee liggen de meer dynamische witte duinen of helmduinen. Landinwaarts liggen binnenduinen, die vaak met bos begroeid zijn.
Duinen scheiden zee en land. De landinwaarts gelegen oude duinen zijn gevormd in de Middeleeuwen. Daaruit blijkt ook dat de kustlijn in de loop der eeuwen naar het westen is opgeschoven. De Hofvijver bij het Binnenhof is een duinvijver en overal in Den Haag kun je stuiten op hoogteverschillen door onderliggende duinen.
Op de duinen groeit van alles. Ik zie scheefgewaaide dennen, platte duindoornstruiken, veel grassen. Bij Ganzenhoek loop ik door een bos dat is aangelegd in de jaren 1930 als werkverschaffingsproject. Heerlijk, om even schaduw te hebben.
Duin: waar zou dat woord nou vandaan komen? Even zoeken levert op dat het teruggaat op een gereconstrueerd Proto-Keltisch woord dūnom dat heuvelfort betekent. Weet ik ook waar de naam Duno vandaan komt voor het landgoed bij de ringwalburcht de Hunnenschans bij Doorwerth.
Het woord leverde in het Nederlands uiteindelijk het woord duin op, en via het Nederlands kwam ook het Frans aan het woord dune.
In het Engels werd het ook dune, maar er zijn nog twee woorden die vanuit dūnom zjin onstaan. Het woord down voor hoge weide, meestal in de meervoudsvorm downs. En via het Oudengels ofdūne voor heuvelafwaarts komen we aan down voor naar beneden. Tja, taalontwikkeling is iets merkwaardigs.
Katwijk is al enige tijd in zicht. In de verte zie ik de toren van de Nieuwe Kerk, waar ik moet zijn en net op tijd glip ik de kerk in. De Nieuwe Kerk is gebouwd in 1860-1887 door architect Jesse en is zijn vroegste en bekendste werk.
In de kerk hangt een tweedehandsorgel uit 1822, gebouwd voor de Broerenkerk in Nijmegen, en in 1887 naar hier verplaatst. In de jaren 1940 voorzien van een nieuw binnenwerk en in de jaren 1980 nogmaals. Na ruim 40 jaar is onderhoud nodig, maar Minne Veldman van Urk heeft een prachtig programma voor ons in petto met veel afwisseling. Fanfarria Imperial van Soler met uiteraard de chamades, de Marche van Lefébure-Wély en Furiante van Jan Zwart worden in evenwicht gehouden door Rawsthorne’s Prelude over Danny Boy en Cantabile van Franck, en Psalm 43 van Klaas-Jan Mulder, mijn moeders lievelingspsalm.
Op weg naar de Vredeskerk. Ik was er al langs gelopen en had de kerk zelf niet eens gezien, verstopt als deze staat op een soort pleintje. Het is van de hand van Jesse, dezelfde die de Nieuwe Kerk bouwde, maar wat een verschil. Het stamt uit 1905 en preludeert al op de kerken die in de jaren 1920-1930 gebouwd zullen worden. Dakconstructie in het zicht met trekstangen, preekstoel centraal, galerijen, oplopende vloer, zakelijke buitenkant met minimale versieringen.
Hier hangt een onverwachte orgelparel: een echt Bätz-orgel. Het stamt uit 1765 en komt uit de Doopsgezinde Kerk in Utrecht. In 1869 werd het aangekocht door de Hervormde Gemeente Katwijk voor de Oude of Andreaskerk. Daar hing het maar 17 jaar en toen werd het verkocht aan de Gereformeerde Kerk en sinds 1905 hangt het dus hier.
Op dit kleinere 18e eeuwse orgel past natuurlijk 18e eeuwse muziek: Handel, Bach en zoon CPE komen voorbij, maar ook Franse romantiek past hier met de Toccata uit de Suite Gotique van Boëllmann als afsluiter. Minne eindigt met werk van eigen hand. En samenzang!








