Tisfris, leuke naam voor een café en inderdaad, op het terras uit de zon kan ik een sjaaltje goed gebruiken. Maar ik zit er even prima, aan de Sint Antoniesbreestraat, wel druk maar gelukkig weinig auto’s. Ik luister naar de laatste nummers van de Top 200 Filmmuziek. Bij nummer één ga ik aan de wandeling beginnen, terwijl Istzak Perlman delen speelt uit de muziek van Schindlers List. En dan sta ik op het Waterlooplein, startpunt van deze wandeling door Joods Amsterdam. Of wat er nog van over is…

Op het Waterlooplein ruimen handelaren hun waren in, als een vage herinnering aan het Joodse Amsterdam. Deze wijk (of dit eiland) heette Vlooienburg. Onvoorstelbaar hoe het er vroeger moet hebben uitgezien. Nauwe straten en steegjes, oude huizen, soms nog maar krotten, het leven speelde zich op straat af. Overal handelaren met kramen en kraampjes, met handkarren en manden. En nu? De Stopera, moderne appartementen, de 19e eeuwse Mozes en Aäron kerk, en het strak bestrate plein, alles is (relatief) nieuw.

In heel Europa werden Joden vervolgd en dat zorgde voor een vlucht. In de 16e eeuw arriveren Joden uit Portugal en Spanje in Amsterdam. Ze worden wel Sefardische Joden of Sefardiem genoemd. Sefardiem is afgeleid van het Hebreeuwse woord “Sefaràd”, dat Spanje betekent.

Zij brengen hun (zeer welkome) kennis mee van de handel in de Oost en mogen in Amsterdam hun eigen godsdienst vormgeven, wel in het geheim, maar ze worden niet vervolgd.

Vlak bij het Rembrandthuis, aan de Jodenbreestraat, heeft hun eerste synagoge gestaan. In 1619. Maar ze willen een grotere, want hun gemeenschap groeit. Het kost wat moeite maar uiteindelijk start de bouw in 1671 en kan in 1675 de Esnoga, de grootste synagoge van West Europa, in gebruik genomen worden. En tot op de dag van vandaag is deze nog in gebruik.

Vanuit Oost-Europa kwamen in de 17e eeuw ook Joden, vluchtend voor de vervolgingen daar. Asjkenazische Joden werden ze genoemd. Asjkenazim was de middeleeuwse Joodse benaming voor Duitsland (eigenlijk het gebied rond de Rijn).

Ook zij willen een eigen synagoge en die is in 1671 al klaar: de Hoogduitse Synagoge of Grote Sjoel. Deze was al snel veel te klein en er kwamen nog drie synagoges bij: de Obbene Sjoel (1685), Dritt Sjoel (1700) en Nieuwe Synagoge (1752). Nu vormen deze samen het Joods Museum.

Al deze nieuwkomers moesten gehuisvest worden en daarom kwam het goed uit dat Amsterdam bezig was met geplande stadsuitbreiding. In oostelijke richting werden eind 16e eeuw eilanden aangeplempt: Rapenburg, Uilenburg en Marken, later Valkenburg genoemd. Vlooienburg volgde later in een ondiepte van de Amstel.

Terzijde: Vlooienburg komt van Vloonburg, waarschijnlijk van vloedberg, waarmee de ondiepte in de Amstel werd aangeduid.

Veel Joden kwamen hier te wonen en omdat ze geen lid mochten zijn van een gilde en dus die gildeberoepen ook niet mochten uitoefenen, richtten zij zich op andere zaken: heel veel handel of negotie, geneeskunde, financiële diensten en later diamantbewerkers en -handel.

Na een rondje om de synagoges ga ik richting Rapenburg, een mij onbekend stukje Amsterdam, met het enorme complex van diamantslijperij Gebroeders Boas uit 1879, nu Gassan Diamonds. Dit bedrijf zorgde voor veel werkgelegenheid onder de Joodse bevolking en relatieve welvaart.

Overal op de route kom ik restanten van dit Joodse verleden tegen, al moet je wel goed kijken. De Uilenburger synagoge, een metalen strook bij de Stopera die de muren van het Joodse Weeshuis aangeeft, de Joodse school nr 1 op Rapenburg, het Rosenthal-May zusterhuis dat hoorde bij het naastgelegen Joodse ziekenhuis dat niet meer bestaat, het gebouw van de ANDB, de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond, opgericht door Henry Polak. Het imposante bestuursgebouw staat aan de straat met zijn naam. Het Wertheimpark, genoemd naar de Joods-Amsterdamse bankier, zakenman, filantroop en politicus A.C. Wertheim. Baruch de Spinoza in zijn bronzen mantel. En natuurlijk de vele stolpersteine.

En nog een heel bijzonder relict: Huis De Pinto. Het is open als ik er langs loop en daar maak ik gebruik van. Dit patriciërshuis staat niet aan een gracht, maar aan de Sint Antoniesbreestraat. Het heeft een voorname classistische gevel, wit gepleisterd, eigenlijk niet echt opvallend. Binnen is een cultureel centrum, een studiezaal en een boekenruil annex leeszaal. In de tuin kan ik goed zien dat het bestaat uit twee panden uit de 16e eeuw, met nu fraai gerestaureerde gevels. In de keuken enorme balken, in de hal en de leeszaal prachtig beschilderde plafonds, deels origineel en in de studiezaal een moderne variant daarop.
In het midden van de 17e eeuw kwam het pand in handen van de familie De Pinto, rijke Portugees-Joodse kooplieden en bankiers. Het pand is ternauwernood van de sloop gered door het in de jaren 1970 te kraken, en in 1974-1976 werd het gerestaureerd.

Plantage Middenbaan: als ik een foto wil nemen van de Hollandse Schouwburg rijdt er net een tram langs. Op mijn oortjes hoor ik het verhaal van Walter Süskind, medewerker van de Hollandse Schouwburg, en Henriëtte Pimentel, directrice van de crèche. Samen slagen ze erin honderden kinderen via de crèche en de nabijgelegen Hervormde Kweekschool te laten ontsnappen. Verstopt in rugzakken, tassen of manden worden de kinderen naar onderduikadressen gebracht. Oudere kinderen gingen met een leidster wandelen en raakten dan ‘zoek’.
Via de voordeur ontsnapten ook kinderen, net op de momenten dat de tram, rinkelend, bellend en knarsend, langsreed.

Na de oorlog kwam het besef wat er echt gebeurd was. De Joden waren niet echt welkom in hun eigen buurt maar er was ook niet veel meer. Veel huizen, vooral op Vlooienburg en Valkenburg, waren al slecht voor de oorlog begon. In de oorlog stonden de huizen leeg, en hoe langer de oorlog duurde, hoe meer gebrek aan alles. Zoals aan brandstof.
Alles wat hout was in de leegstaande huizen was gesloopt en opgestookt. Veel ging tegen de vlakte, er kwamen nieuwe gebouwen en nieuwe bewoners.
De Joden die in Amsterdam bleven, gingen naar Zuid.

De route eindigt bij het Spiegelmonument aan de drukke Weesperstraat. In het glanzende metaal weerspiegelt de blauwe lucht, een tegenstelling van de gebroken glazen platen van het Auschwitz-monument.

In de voormalige Jodenbuurt resten de synagoges. En de vele monumenten.

En de taal! Hier de top 20 van aan het Jiddisch ontleende woorden.

  • bolleboos (van ba’al haba’jit = vader van het huis)
  • gabber (van chaveer = vriend, maat, kameraad)
  • hoteldebotel (Van het Jiddisch overlewotel ontleend aan het Hebreeuwse awar oe-woteel, dat staat voor ‘heengegaan en verdwenen (van de wereld))
  • mesjogge (van het Hebreeuwse mesjuge: gek)
  • gein (van chen = pret, behagen)
  • jatten (van jad, wat ‘hand’ betekent)
  • sjacheraar: Duits leenwoord, al sinds de 17e eeuw
  • geteisem (van chatat = zondeoffer)
  • penoze (van parnasa = werk, broodwinning)
  • kapsones (via het Jiddisch gavsones uit het Hebreeuws  ga’av’tanút, letterlijk: hoogmoed)
  • schlemiel (Ontleend aan Jiddisch sjlemiels(c)hlemiel ‘ongeluksvogel, mislukkeling, domkop’, dat ontleend is, via Duits Schlemihl aan de Hebreeuwse eigennaam Šəlūmīʾēl ‘Selumiël’, letterlijk ‘mijn vrede is God’, opgebouwd uit šālōm ‘vrede, welzijn’ +  ‘mijn’ + -ʾēl ‘God’, Ontlening aan Hebreeuws še lō mōʿēl ‘iemand die niet deugt’.)
  • geen tittel of jota: De tittel en de jota zijn de allerkleinste Hebreeuwse schriftsymbolen. Een tittel is een klein streepje of puntje boven een letter (ook wel tagin genoemd) en met jota wordt hier de jod bedoeld, de kleinste letter van het Hebreeuwse alfabet.
  • Mokum: letterlijk plaats A van makon
  • achenebbisj dat letterlijk Ach, stumper betekent. Van het Duitse/Nederlandse ach/och en het Oud-Tsjechische neboh
  • bajes: (van bajit = huis)
  • majem: (van majiem = water)
  • gajes: (afkomstig van het woord voor ‘dieren’ khayes).
  • ‘Daar ga je!’ (ontleend aan lechajiem = ‘op het leven!’)
  • kaffer: (Afkomstig van kofer, dat ‘ketter’ betekent)
  • gozer: (van chatan = bruidegom)

Plaats een reactie