Onder de ijsblauwe bogen van station Arnhem is het koud. Ik pak mijn muts en handschoenen uit de rugzak. In de warme trein waren ze niet nodig, nu wel. En dan op weg naar mijn bestemming van vandaag.

Ik loop langs de Sint Jansbeek waar de Witte Watermolen staat, een in oorsprong 15e eeuwse korenmolen.
De beek ontspringt niet ver hier vandaan, op landgoed Zijpendaal, en stond aan de basis van het ontstaan van Arnhem. Al in de 13e eeuw werd het water van de beek gebruikt om koren- en papiermolens aan te drijven en waren er wasserijen aan de oevers gevestigd. Dit was eigenlijk een heel vroeg industriegebied.
Van de tien watermolens is de Witte Watermolen de enige die nog in bedrijf is. De Bagijnemolen heeft nog wel een rad en een watertoevoer, maar is nu het Watermuseum. De andere molens bestaan niet meer.

Langs het mooie huis Zypendaal, een 18e eeuws landhuis, kom ik op de Schelmseweg, geleidelijk aan stijgend, en dan bereik ik mijn doel van vandaag: het Nederlands Openluchtmuseum.

Op het voorplein is de Winterkermis gaande, met zweefmolen, rupsbaan en rolschaatsbaan. Het is er zo druk dat ik het maar oversla en bij de tramhalte is het ook al dringen geblazen.
Ik haal een plattegrondje en ga op pad.

Het park is 44 hectare groot met zo’n 100 museale gebouwen. Het eerste links van het plein is voor mij heel bekend. Van de Rabobank kreeg ik als kind een cadeautje, een bouwplaat van het blauwe Lös Hoes, een vroeg 18e eeuwse boerderij waar tot 1920 het gezin samen met de beesten in één grote ruimte verbleef. Vandaar de term: lös hoes = open huis.

Ik wandel op mijn gemak door het park en letterlijk door de eeuwen. Het nieuwe deel De Bosrand is net opgeleverd en hier loop ik mijn eigen tijd in. Aan de Margrietstraat staat een blok doorzonwoningen uit de jaren 1960/1970. Zo ontzettend herkenbaar, maar ook confronterend dat mijn kindertijd nu al museaal is.

Omdat het park zo groot is, kun je elke keer dat je hier komt weer ontdekkingen doen. En vandaag is dat de 18e eeuwse bierbrouwerij De Roskam uit Ulvenhout, hier in 1942-43 herbouwd, en sinds 2007 gekoppeld aan een moderne brouwerij die bier voor de verkoop brouwt. Ik leer hier hoe bier wordt gebrouwen.

En net als met veel oude technieken sta ik versteld van de hoeveelheid werk die verzet moet worden voor je een product hebt. Maar ook van de inventiviteit en intuïtiviteit die er bij komt kijken.

Stap één: mouten.
Je laat graan weken, kiemen en drogen. Bij het kiemen ontstaan enzymen die het zetmeel in de graankorrels omzetten in suiker. In een eest wordt het graan gedroogd en geroosterd. Je hebt nu mout.
Stap twee: wort.
Je roert de grof gemalen mout in een open kuip met warm water. De enzymen die zetmeel in suiker omzetten worden weer actief. Dan laat je dit mengsel (beslag) door een filter in een koperen bak vloeien. Deze gefilterde vloeistof is wort.
Stap drie: koken.
Je pompt de wort naar een grote ketel en brengt die aan de kook. Nu voeg je hop toe. Dit is enigszins bitter (voor de smaak) en maakt het langer houdbaar. Dan laat je het gehopte wort afkoelen en in een ondiepe bak ofwel koelschip.
Stap vier: gisten.
Je laat het afgekoelde brouwsel naar de geilkuip stromen. Je voegt ook gist toe en daarmee worden de suikers omgezet in alcohol en koolzuurgas. Tap het bier af in vaten voor de nagisting. En na een kleine week is je bier klaar!

’t Is mij te koud voor een biertje en dus sla ik Café Budel over. Al wandelend kom ik bij het Platteland. Een 20e eeuwse Ja-knikker staat achter een begin 16e eeuwse boerderij uit Zeijen. Deze boerderij is ook een lös hoes en tot 1850 was er geen schoorsteen. In zo’n boerderij konden wel 20 koeien worden gehouden, een respectabel aantal voor die tijd.

En dan ineens een stoomfluit! Dat klopt, hier staat de trots van Veenwouden. De kaas- en roomboterfabriek Freia uit 1879, een prachtig gebouw van lichte baksteen, met de helderblauwe naam op een gele band. De ketel is onder stoom en het is daar lekker warm, op deze koude mistige dag.

Onderweg naar mijn pannenkoek bij Herberg de Hanekamp uit Zwolle loop ik door de kruidentuin. In een hoekje is een reconstructie gemaakt van een kloostertuin naar een tekening uit 830 voor het klooster Sankt Gallen in Zwitserland.

Nu is Zwitserland geen Nederland,. Waarom dan deze kloostertuin?
Rond het jaar 800 werd het Capitulare de villes vel curtis imperii uitgevaardigd door keizer Karel de Grote. Hierin staan voorschriften voor het beheer van de domeinlandgoederen. Het eindigt met een lijst van 70 planten waarvan de keizer wil dat deze planten in de tuinen van zijn domeinen worden gekweekt. Een aantal planten wordt gebruikt als geneesmiddel en Karel wil deze planten bij de hand hebben als hij of zijn afgezanten iets overkomt.

Abt Walahfrid Strabo schrijft in de jaren 842 – 849 in ‘De Cultura hortorum’ ofwel de Hortulus (het tuintje). In deze tekst over een medicinale kruidentuin bij een klooster beschrijft hij de werking van 24 door Karel genoemde planten.
Deze 24 planten staan hier in het tuintje van Walahfrid. Helaas gaf hij geen precieze indeling en daarom heeft men zich laten inspireren door het ontwerp voor het klooster Sankt Gallen.

Na mijn pannenkoek is het tijd om richting de bus te gaan.
Bij de uitgang zie ik een tram net voor me wegrijden. Zou het de laatste zijn? Nee, gelukkig niet. Ik kan nog met de laatste tram mee. en zo maak ik een rondje door heel het park dat vanwege het thema winter prachtig verlicht is.

En nu echt naar de bus.


Plaats een reactie