Als ik het grindpad afloop doemt het witte gebouw op. Het is een eenvoudig gebouw, een kasteel met een griezelige naam, en er is een gruwelijke legende aan verbonden.
Ik ben op tweederde van een lange wandeling door een vrijwel onbekend en heel rustig gebied.
Ik had het mezelf beloofd toen ik er begin juli doorheen fietste: ’t Gelders Eiland.

De wekker ging vroeg en de weerapp was van gedachten veranderd. Gistermiddag werd nog zon voorspeld in het oosten en zuiden, vanmorgen niet meer. Het vriest licht als ik naar het station fiets en de trein naar Arnhem pak. In Arnhem blijkt dat de trein na een korte stop doorrijdt richting Winterswijk. Handig! Nog net tijd om koffie en een croissant te halen en even later sta ik in het donker en de mist op station Zevenaar.
En dan loop ik op een donker landweggetje.

Ik heb een route uitgestippeld over de dijken, maar helaas, de mist belet het zicht. Het is een kleine wereld waar ik vandaag doorheen loop. Het wordt lichter en lichter, maar de mist blijft hardnekkig en dicht.
Grappig is dat ik nu veel meer gefocust ben op de dingen dichtbij, de kleine dingen. Een groep slapende schapen onder aan de dijk, de begrijpte dode planten, het mos op de bomen.

’t Gelders Eiland is een gebied dat door water omringd was en nog steeds is dit een gebied vol water. Oude Rijnstrangen zijn hier deels verzand en aangeslibt en vormen een bijzonder moerasgebied met veel natuur. En heel veel rust.

Over de Ooysedijk loop ik naar het Berghse Hoofd. Deze dijk moest de Rijn bedwingen, want tot het graven van het Pannerdensch Kanaal tussen 1701 en 1709, liep hier de hoofdstroom van de Rijn.
Op de plek waar vroeger de pont tussen Pannerden en Zevenaar lag, ligt nu een trekpont. Het touw is bevroren, de pont ligt ook vastgevroren en ik loop wel weer terug en pak de verkeersbrug.
Deze plek heet Berghse Hoofd, naar de versterkte toren die hier eeuwen heeft gestaan, en van waaruit tol werd geheven op de scheepvaart door de heren Van den Bergh, van kasteel Bergh in ‘s-Heerenbergh.
In 1968 werd de Spijkse Overlaat gesloten, waardoor de brede rivier verlandde en een moerasgebied werd met rivierstrangen.

Via de Deukerdijk kom ik bij het Pannerdensch Kanaal en dan linksaf naar Pannerden. Net voor het dorpje ga ik rechts naar het water. De overkant is niet te zien en op een gegeven moment hoor ik een motor, en waarempel zie ik vaag een schip voorbij glijden.

Naar het dorp. Een modderig pad naar beneden, langs het Regelwerk Pannerden. Net als bij Westervoort staat hier een enorm betonnen gevaarte waarmee bij hoge rivierstanden het water op gecontroleerde wijze kan overstromen naar het opvanggebied.

Pannerden is klein, maar heeft nog een supermarkt en een paar winkeltjes. Geen horeca maar gelukkig mag ik de in supermarkt van het toilet gebruik maken.
Bij de Sint Martinuskerk picknick ik terwijl Maria toekijkt omringd door een stralenkrans.

Door allerlei ingewikkelde beleningen, huwelijken en verervingen behoorde Pannerden uiteindelijk tot het Koninkrijk Pruisen. Pas sinds 1817 is het onderdeel van Nederland.
De overstroming van 1926 en de Tweede Wereldoorlog hebben Pannerden flink te pakken gehad, waardoor er weinig oude bebouwing is. De oude kerk is in de 18e eeuw vervallen geraakt en eind 19e eeuw werd een nieuwe Martinuskerk gebouwd. De kerk is aan de eredienst onttrokken en men is bezig om een bestemming te vinden.

Ik ploeter langs een brede sloot over een schouwpad terug naar de Deukerdijk. Met dikke bonken klei aan de schoenen kom ik bij het oude stoomgemaal Oude Rijn boven. Dit gemaal stamt uit 1884 en ligt in de Driedorpenpolder (Pannerden, Aerdt en Herwen). Nu een woonhuis met een B&B en een doorzichtige cortenstalen nepschoorsteen, maar ooit van levensbelang voor de inwoners van dit gebied.

Over de slingerende dijk loop ik door een kleine wereld naar Aerdt. In Aerdt staat een oude kerk, de oudste van het Gelders Eiland. In 1120 stond hier al een tufstenen kerkje, gewijd aan Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote. De onderkant van de toren stamt uit de 13e eeuw en de bouw van de 15e eeuwse gotische kerk is nooit afgerond, wat het ‘scheve’ uiterlijk verklaart: de linkerbeuk is hoger dan de rechter. Bij de bouw is de tufsteen van het oude kerkje hergebruikt, de bakstenen zijn in de omgeving gebakken.

Op de Aerdtsedijk staan op twee plekken vreemde betonnen blokken. Ik vermoed een link met de IJssellinie, maar nee, het zijn restanten van de Pantherstellung. Dit was een verlengstuk van een Duitse verdedigingslinie die vóór de Tweede Wereldoorlog de Duitse westgrens beveiligde. Deze Siegfriedlinie liep van Basel naar Kleef. Noordelijk daarvan was geen verdediging en in 1943 werd getracht dit gat te sluiten.
Na de oorlog werden de meeste delen van de linie geruimd. De aarden stellingen en versperringen werden geëgaliseerd, maar er liggen her en der nog bunkers verstopt, inmiddels beschermde monumenten. De betonnen elementen zoals op de Aerdtsedijk zijn ook restanten, echter zonder monumentenstatus.

In Herwen is het tijd voor pauze.
Na een broodje met koffie in het plaatselijke café loop ik terug naar de dijk. Het is een relatief nieuw dorp. Het oude Herwen ging in 1764 ten onder. In de eeuw daarvoor kroop de Rijn steeds dichter naar het dorp, met een noodlottig einde. Wel hadden de meeste bewoners zich in veiligheid kunnen brengen. Het oudste gebouw van Herwen is het 17e eeuwse Huis Aerdt.
Dit huis is de opvolger van het middeleeuwse slot Ter Cluse. Helemaal zeker is het niet, maar waarschijnlijk is het een herinnering aan de kluis van een kluizenaar die hier ooit woonde. Nog steeds ligt hier een stuk grond met de naam ‘Hoge en Lage Kluis’.

Over de brug uit 1940 die het eiland uit het isolement haalde loop ik naar Babberich. Ik raak hier aan de Duitse grens. Op het marktplein staat een enorme kerk met daarachter een voormalig klooster. De kerk stamt uit 1955 en is een massief bakstenen gebouw. De kleine mozaïeken zijn een kleurig element op deze dag.

Bij visboer haal ik even een visje (blijkt de vrouw van de visboer de kleindochter te zijn van de buren van mijn vader vroeger in Spakenburg) en dan langs het Kloosterpad naar de Betuwelijn, het minst mooie stukje van deze route.

Via een fietspad kom ik op de Oud-Zevenaarsedijk en wandel ik op dit dorp aan. Het is zo mistig dat ik de kerk pas zie als ik er vlakbij sta. De torenspits is gehuld in de mist.
De kerk staat op een terp tegen de dijk en is een merkwaardig gebouw waarbij een 19e eeuwse kerk tegen de oude 14e/16e eeuwse kerk is gebouwd.
Het processiepad om de kerk doet een bedevaartsplek vermoeden en dat klopt. Het beeldje Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods stond vanaf 1440 in deze kerk en hieraan werden wonderen toegeschreven. In die tijd werd er een Mariakerk aan de oude kerk gebouwd.
In 1572 kreeg de kerk te lijden van het oorlogsgeweld en de toren viel brandend in de kerk. Herbouw werd in 1583 aangevangen.

Een verrassing is voormalige steenfabriek De Panoven, net voor Zevenaar, waarbij de ronde zigzagoven en de droogloodsen bestemd zijn tot rijksmonument. Er is het Nederlands Baksteen- en Dakpanmuseum gevestigd, maar dat bewaar ik voor een volgende keer.

Tijd om naar het station te gaan. O, maar eerst nog die lugubere legende.
Het witte gebouw is Huize Babberich, een 18e eeuws landhuis met een 14e eeuwse voorganger. En aan die voorganger dankt het huidige landhuis zijn naam: Halsaf.

Een dienstmeid was op een avond alleen in het kasteel aanwezig. Een groep van vijf rovers vroeg die avond om binnengelaten te worden. De meid legde uit dat ze niet allemaal tegelijk naar binnen kunnen, maar één voor één kan wel. Dat kan door een opening aan de zijkant van het kasteel. Eenmaal de eerste zijn hoofd door de kleine opening naar binnen heeft gestoken, slaat de dienstmeid met een zwaard het hoofd eraf, en zo komen ze alle vijf aan hun eind en wordt de roof van het kasteel voorkomen. En heet het kasteel tot op de dag van vandaag Halsaf.


Plaats een reactie