Derde Kerstdag, zo wordt 27 december gekscherend wel genoemd. En ik maakte van 28 december maar een vierde Kerstdag.

Vrijdag was het in Tiel prachtig weer. Eindelijk weer eens een zonnetje met lekker fris winterweer. Na de middagwandeling vertrok ik naar Dordrecht en kwam ik pardoes in de mist terecht. Geheimzinnig stak de toren van de Grote Kerk boven de huizen uit. De haven lag vol met mooi verlichte schepen en in de kerk brandden de kroonluchters.
Uiteraard was ik weer eens op pad voor een orgelconcert, ditmaal een concert met ingetogen kerstmuziek.

Na een korte nacht zat ik net voor zevenen al in de trein. Naar Valkenburg, zelfbenoemde Kerststad. Ik zit lekker te lezen, oortjes in met mooie muziek. Buiten is het nog donker en later grijs en mistig.
Maar hoe zuidelijker de trein komt, hoe lichter en hoe meer zon!

Vanuit de trein van Maastricht naar Valkenburg (de Heuvellandlijn) heb ik een prachtig uitzicht over de Geulvallei. Wit berijpte velden en bossen, stoere kerktorens, rookpluimen uit schoorstenen.
In Valkenburg staat het enige station van Nederland dat gebouwd is van mergel, de plaatselijk gewonnen krijtsteen. Het is ook het oudste nog bestaande station van Nederland, geopend in 1853, een paar jaar na de aanleg van de spoorlijn Maastricht Aken (1845).
Valkenburg was destijds een klein slaperig vestingstadje met 900 inwoners. Op de eerste dag dat de trein hier stopte, kwamen er 1600 bezoekers naar Valkenburg en dat was het begin van Valkenburg als toeristische magneet. Vandaag de dag bezoeken 250.000 mensen per jaar Valkenburg.

Ook vandaag lopen overal mensen, bijna overal rijden auto’s, parkeerplaatsen zijn overvol, rijen staan voor de kerstmarkt in de Fluweelengrot en bij het Winterwonderland.

Ik had al een kaartje gekocht voor MergelRijk. Ik mag meteen de filmzaal in en daar worden delen uit de film van de Zandtovenaar over het kerstverhaal vertoond. Ik heb delen hiervan meermaals gezien, in kerkdiensten en op TV. Ik verbaasde me er altijd over hoe hij het zand als water kon laten vloeien op de lichtbak. Maar ik snap de connectie niet met de mergelgrot?
Wat blijkt? De Zandtovenaar gebruikt geen zand, maar mergelstof. Later in de grot mag je als bezoeker ook tekenen met dit zand en het blijkt verrassend makkelijk te hanteren. Het vloeit bijna als water uit je hand en je kunt heel precies werken. Het lukt me een engel te toveren.

Het kerstverhaal komt later nog een keer in beeld, in de vorm van een diorama. In miniatuur zie je daar een oosterse wereld opdoemen, met als achtergrond prachtige foto’s van het landschap en geluidseffecten.

In Limburg (en net over de grens in België) zijn er ongeveer 250 gangenstelsels, ontstaan door de winning van mergel. Eigenlijk zijn het geen grotten, maar mijnen. Grotten zijn natuurlijk ontstaan, door karst. Daarbij lost kalksteen op in water en onstaan er gaten (grotten) in de steen.
Deze grotten zijn doelbewust uitgegraven of gebroken om mergelblokken te winnen waarmee van alles gebouwd kon worden. Van kerken en kathedralen, boerderijen en stadsmuren tot woonhuizen én een station.

De naam mergel komt uit de Romeinse tijd. Zij noemden deze soort kalksteen ‘marga’. In die tijd werd de mergel gebruikt voor bemergelen of bemesten van de akkers. De kalk maakte akkers minder zuur.

Om de mergel te winnen werden eerst sleuven van ca 1,5 meter diep gemaakt met een schietbeitel. De steen is verrassend zacht en goed te bewerken, zoals ik later merk als ik aan de slag mag en een klein blokje mergel met een paar vijlen te lijf ga.
Als de sleuven zijn gemaakt, worden de blokken uitgezaagd en met een hefboom of breekijzer losgebroken. De arbeiders die dit werk deden werden blokbrekers genoemd.
De blokken werden door paard en wagen naar buiten gereden voor verdere bewerking.

Belangrijk is dat je niet blijft zagen en breken. Er moet voldoende mergel blijven staan om de bovengrond te blijven dragen, anders dreigt onvermijdelijk instorting.
Op een bepaald punt mag ik ook een particuliere groeve in, die ongestoord is gebleven. Alles ligt er zoals het na een dag werken er uit kan zien. Er zijn nog maar een paar lampjes en ik stoot bijna mijn hoofd en struikel over de oneffen vloer.

Eenmaal buiten in de frisse lucht ga ik aan de wandel. Meteen steil omhoog, over een glad bospad (van de blaadjes en de vorst), terwijl de rijp van de bomen druppelt. Uitbundig schijnt de zon en ik word zo nu en dan bijna verblind.
Uiteraard loop ik soms verkeerd, maar uiteindelijk ben ik bij deel twee van mijn dagje Valkenburg.

Ik neem vandaag deel aan de Route d’Amuse, een initiatief van restauranthouders in en om Valkenburg. Keuze uit vier routes met diverse starttijden en per route vier restaurants waar je op vertoon van je bonnetje een amuse krijgt.

Eerste stop? Kasteel Oost, inderdaad oostelijk van Valkenburg. De okerkleurige mergelsteen gloeit bijna oranje in de felle zon. Het huidige gebouw is oorspronkelijk 17e eeuws met aanpassingen en verbouwingen uit de 18e en 19e eeuw. Links en rechts staan lagere bijgebouwen. Vandaag de dag is het kasteel een Wedding Castle en in de oude kelder zit een restaurant, de plek voor mijn eerste amuse

Langs de Geul vervolg ik mijn route.
Bij de Drie Beeldjes stop ik even. Ik loop onder langs het Schaelsbergerbos en hier op een kruispunt van wegen staat een Calvariegroep, een beeldengroep van Jezus aan het kruis met moeder Maria en Johannes de Evangelist aan weerszijden. De huidige beeldengroep is van beton, een kopie van de originele beelden uit 1739.
De heer van kasteel Schaloen wilde op deze plek de Geul oversteken, maar boze geest Ruprecht verhinderde dat. Op de Schaelsberg leefde een kluizenaar en de heer van Schaloen vroeg hem raad. Hij moest ter ere van Jezus, Maria en Johannes een beeldengroep plaatsen. Zo gezegd, zo gedaan en de heer van Schaloen kon vanaf die dag ongehinderd de Geul oversteken.

Nou, dat lukt mij ook en mijn uitzicht is fenomenaal. Rechts kasteel Schaloen, links Kasteel Genhoes, daarboven de toren van de Johannes de Doperkerk van Oud-Valkenburg. Erachter de heuvels, op de voorgrond schittert de Geul.
Het lijkt of ik op vakantie ben!

Genhoes betekent niets anders dan het huis, in dit geval het huis bij Oud-Valkenburg, in het Limburg ‘gen hoes’. Schaloen komt waarschijnlijk van het huis met de schaliën (dakleien).
Genhuis (16e eeuws en wellicht zelfs nog ouder) laat ik links liggen en langs de Schaloense Watermolen betreed ik het voorplein van Schaloen. Op het terras aan de stadsgracht zit ik in de zon achter een biertje met mijn amuse. Kan het nog beter?

Ik wandel even langs de kerk van Oud-Valkenburg, waar het schip uit de 11e of 12 eeuw stamt. Langs een boerenhoeve uit de 18e eeuw (in de typische Limburgse carré-vorm) loop ik over een pad het land in, naar de Sint-Jansboskapel uit 1915, nu versierd met sparregroen en een kerststal.

Had ik al gezegd dat in de grotten ook levensgrote beelden stonden? Zoals een tractor, een blokbreker en niemand minder dan Pierre Cuypers, de beroemde architect, die enige tijd in Valkenburg heeft gewoond.
Mijn volgende stop is hotel Parkhuis, gebouwd door deze Cuypers als Kurhaus aan de Geul. Het oogt totaal niet Cuyperiaans, maar juist redelijk ingetogen. Het is gebouwd in de eind 19e eeuw populaire chaletstijl en opgetrokken uit mergel.
Omdat het hotel tegen een helling gebouwd is, geeft het prachtige vergezichten over Valkenburg en omgeving.
Prima plek om te genieten van mijn derde amuse.

Ik daal iets verder af en kom in modern Valkenburg, waar in een non-descript gebouw Bij de Jongens zit. Binnen is het zeer sfeervol en ik geniet van mijn vierde amuse, maar daarna is het tijd om naar huis te gaan.
Ik besluit over Heerlen te reizen. Het is helder en zo net na zonsondergang heb ik fantastisch zicht op de heuvels. De lucht wordt intens blauw en in het westen gloeit de zonsondergang.


Plaats een reactie