Als ik bij het station aankom is het volledig donker en begint het carillon te spelen. Helder en vrolijk klinkt een Sinterklaarsliedje over het dorp Houten. Het is vrijdagavond en ik ga rechtstreeks van mijn werk naar Amsterdam. Op de markt in Houten eet ik kibbeling en dan met de trein. Tussen Utrecht en Amsterdam rijden door een storing in de bovenleiding minder treinen. Bom- en bomvol zit de trein, heen, en terug ook.

Maar in de Waalse Kerk in Amsterdam is er rust, en Bach, heel veel Bach. Jaap Eilander speelt de drie kwartier voor de pauze op een Bösendorfer vleugel. Ik begrijp dat deze Oostenrijkse bouwer ook de vleugel zelf bij het klankidioom betrekt door die ook van klankhout te maken.
Ik ben niet thuis in piano’s en vleugels, maar ik kijk vol bewondering vanaf mijn plekje in de diakenbanken de pianist op de vingers.
Zonder pauze én uit het hoofd speelt hij het hele programma. Een vleugje advent met Nun komm, der Heiden Heiland, tragische muziek met Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit, het wereldse Schafe können sicher weiden (onderdeel van de Jagdkantate, geschreven voor de verjaardag van de hertog van Saksen-Weißenfels), de Fantasie in C-moll, het Adagio uit de orgelsonate BWV 528, en drie dansen, twee uit de Franse suite en de Chaconne uit de tweede vioolpartita.
De Chaconne heb ik voor het eerst gehoord tijdens de TV-uitzending van de 60e herdenking van de bevrijding van Auschwitz. Ik was bezig met andere dingen en luisterde met een half oor, totdat de viool inzette. Maxim Vengerov liep eenzaam door de sneeuw van Auschwitz, door de cellenblokken en langs de spoorlijn. En speelde iets wat ik nog nooit had gehoord en dat zoveel indruk maakte dat ik op de hoek van de bank ging zitten en spontaan begon te huilen. Zo’n ervaring heb je maar één keer, maar de Chaconne blijft me ontroeren.

Na de korte pauze mag Evan Bogerd het Müller-orgel uit 1743 bespelen, het kleine zusje van het beroemde orgel uit de Bavo in Haarlem. Uiteraard met beroemde orgelstukken (Praeludium et Fuge in h-Moll, de Dorische Toccata en de Passacaglia in c-Moll, het Largo uit de Trio-sonate) en ook hier een vleug advent met twee bewerkingen van Nun komm, der Heiden Heiland, de laatste met pedaaltonen die als voetstappen klinken.
Zwaar onder de indruk loop ik door de fraai verlichte stad naar het station om de drukke trein naar huis te pakken. Gelukkig kan ik zitten.

Na zo’n korte nacht moet ik altijd even bijkomen, en dat lukt prima bij het ontbijt met daarna een kop sterke koffie. De badkamer moet gedaan worden en plannen heb ik eigenlijk niet. De treinen richting Geldermalsen rijden niet en richting Arnhem ook al niet. Werkzaamheden aan het spoor, dus ja.

Maar, ik ben sinds kort lid van de Oudheidkamer in Tiel en ik heb een paar welkomstcadeaus gekregen waaronder een stadswandeling van Tiel. Dus bedenk ik dat ik met dit prachtige zonnige weer best naar de stad kan wandelen, de stadswandeling doen en dan terug naar huis. Een wandeling van ruim 15 kilometer.

Nou, dat heb ik geweten. Zo’n stadswandeling is iets totaal anders dan lekker doorstappen. Met het hoofd in de nek loop ik langs de panden, zo nu en dan steek ik de straat over, of ik loop een stukje terug of om.
Of het de moeite waard was? Nou en of!

Grappig is dat, ik woon ruim 30 jaar in de stad en vanmiddag word ik gewezen op dingen die ik nog nooit had gezien.

Er is een volksrijmpje: ‘Tiel is niet viel, Bommel is een rommel en hoe dichter bij Dordt hoe rotter het wordt.’ Maar een ander zegt: ‘Tiel is een stad, Echteld een gat, IJzendoorn een waterpoel en Ochten is een koningsstoel.’
Tiel is niet veel (viel), ja, daar kun je van alles van vinden. Tiel is een stad, en dat klopt zonder meer, één van de oudste van Nederland zelfs.
Operatie Market Garden was niet alleen desastreus voor Arnhem en omstreken maar ook voor de Betuwe en Tiel. De bevolking werd geëvacueerd en grote delen van de oude binnenstad werden platgebombardeerd.

De wederopbouw was niet vriendelijk voor de stad, met de vernieuwingsdrift en het overal toelaten van de auto. De Waterstraat heeft daardoor twee rooilijnen, de Middeleeuwse is deels behouden gebleven, maar het voorste en laatste deel van de straat is breder. Daar zijn de panden een eind teruggezet. Ruim baan voor de auto.

Wat heb ik deze middag allemaal gezien? Nou, als je even hebt?

Het gebied rondom Tiel wordt al lange tijd bewoond. Ten noorden van de stad, in de voormalige buurtschap Medel, is een prehistorisch graf gevonden (5600 jaar oud) en in Passewaaij zijn bewoningsporen gevonden uit de tijd van de Bataven.
Daar tussenin liggen eeuwen aan geschiedenis. Het Inundatiekanaal uit eind 19e eeuw is onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en met drie kilometer het langste Rijksmonument van Nederland.

Over de dijk nader ik Bellevue, een sociëteit voor de gewone man, maar ook de plek waar de beurtschippers aanlegden. Op de dijk staat nog het veehek waaraan vee werd vastgezet dat met de beurtschepen mee zou gaan. Beurtvaart is ontstaan in de 15e eeuw en was het eerste openbaar vervoer in Nederland. Passagiers, vracht en vee werden volgens een dienstregeling langs een vast traject vervoerd. Beurt duidt op de geregelde volgorde waarin de schippers moesten varen.

Voor het voormalige Kantongerecht sta ik even stil. Het is nu een appartementencomplex, maar nog tot 2013 werd hier recht gesproken.
Op naar de Grote of Sint Maartenskerk. Bij deze kerk staat een klein hoog gebouwtje, duidelijk oud. Via de fundamenten in het gras kun je zien dat het aan de kerk vast heeft gezeten. Het is de gerfkamer (gerf komt van gerief, de spullen die de priesters nodig hadden voor de erediensten). De kerk werd bijna gehalveerd na een storm in de 16e eeuw.

In de Achterstraat staat een groot pand met een groot driehoekig timpaan met daarin een rijksappel. Nooit gezien, hè? Het is het voormalige Oude Burger Mannen- en Vrouwen Huis uit 1804. De instelling zelf dateert uit 1367, bestaat nog steeds en heeft de rijksappel als beeldmerk.

Aan de overkant staat het Ambtmanshuis, gebouwd tussen 1525 en 1527 in opdracht van ambtman Adriaan van Buren. Een ambtman kocht zijn ambt, dat een combinatie was van dijkgraaf, gouverneur en rechter, van de hertog van Gelre.
Aan de 1e Achterstraat staat het bijbehorende koetshuis, waarvan de bouw waarschijnlijk al in 1525 is begonnen. Dat is heel bijzonder, omdat de meeste koetshuizen in de 19e eeuw werden gebouwd.

Aan de Achterweg staan twee voormalige weeshuizen, het Burgerweeshuis uit begin 20ste eeuw en diens voorganger op de hoek met het Hoogeinde uit 1563.

De Korenbeurs, nu een horecaplein, is een 19e eeuwse opvolger van de Koornmarkt, de straat waar vroeger de markt werd gehouden. Het zeshoekige gebouwtje aan het eind is de voormalige waag.

Het deftige 18e eeuwse Pand Hoogenboom doet wat vervallen aan, maar wordt blijkens het bord gesplitst in appartementen. Ook de voormalige woning van de dames Spiering ziet er niet florissant uit. Het pand wordt verbouwd, lijkt het. Het stamt uit de 16e en wellicht zelfs uit de 15 eeuw. Henriëtte Spiering en haar zus Jeanne stamden uit een vermogende Tielse familie. Zij hebben veel betekend voor de zorg en de evangelisatie in Tiel. Het protestantse Bethesda Ziekenhuis was hun eigendom, evenals de Eben-Haëzerkerk. Beide panden bestaan niet meer. Het Bethesda Ziekenhuis is met het Rooms-Kathololieke Sint-Andreas Ziekenhuis opgegaan in het Rivierenland Ziekenhuis.

Ik hoor ineens het carillon een paar losse klanken geven. Het is twee uur. Zou het? En ja, hoor, na de slag van tweeën begint Wim Ruitenbeek, de beiaardier van Tiel, aan een concert van een uur. Heerlijk om door de stad te dwalen terwijl winterse liedjes van de toren dwarrelen.

De Dominicuskerk stamt uit het 1939-1940 en via de Mariakapel kan ik een blik naar binnen werpen. De kerk is gebouwd van baksteen en doet daardoor sober en een beetje somber aan. De kerk staat aan het Sint Walburgkerkpad dat ik nu een eindje afloop. Links is het voormalige Sint-Andreas Ziekenhuis met daarachter het voormalige Sint-Hyacinthusklooster. Door een poortje kom ik bij de Hyacunthuskapel en tot mijn verrassing is het open.
Het blijkt nu een galerie te zijn en onder de kapel in het voormalige ziekenhuismortuarium is een atelier gevestigd. Uiteraard wip ik even de trap op.

Langs de gracht loop ik naar het Kalverbos. Nu een plantsoen, maar in 925 stond hier de Sint Walburgkerk met klooster en kerkhof. Deze kerk was zeer vermogend en werd gefrequenteerd door de adel en hogere kringen. De Maartenskerk was de volkskerk. De kerk werd in 1009 door de Vikingen geplunderd en de kerk zelf werd in 1680 afgebroken.
Tot op de dag van vandaag moeten onder het plantsoen vele graven liggen. Het Kalverbos heet dan ook niet naar kalveren, maar naar schedels, calvaria in het Latijn.

Ik steek de stadsgracht over naar 19e eeuws Tiel. Het station werd een stuk vanaf het centrum aangelegd en de Stationsstraat werd een straat waar prachtige huizen werden gebouwd, zoals Villa ‘Beau Coin’ (mooie hoek). De villa staat te koop en een mooie hoek is het niet meer, met alle autoverkeer voor de deur en een parkeerplaats in de achtertuin.

In Villa Rozenhage uit 1860-1880 kwam Prins Hendrik nog wel eens op bezoek. Kwam er koninklijk bezoek, dan werd de WC iedere keer opnieuw blauw gesausd. Geen idee waarom. Misschien omdat blauw vliegen zou weren?

Op de hoek met Lingedijk ligt begraafplaats Ter Navolging. Deze naam is niet willekeurig gekozen. Het is de eerste begraafplaats in Nederland die ‘buiten’ werd aangelegd. Tot die tijd was het gewoonte in de kerk te begraven of vlak bij de kerk op het kerkhof. De stank en de overlast en het gebrek aan hygiëne werden door Tielenaar J.D. van Leeuwen aangegrepen om te pleiten voor een plaats buiten de stad.
Het is nu een oord van rust, ondanks de drukke weg, met prachtige grafkelders en -monumenten. De familie Van Lidt de Jeude heeft op de grafkelder grafzerken uit de Maartenskerk laten leggen.

Aan de J.D. van Leeuwenstraat ligt de Rooms-Katholieke begraafplaats uit 1836 en aan de Voor de Kijkuit de Joodse begraafplaats ui 1827. Beide zijn aangelegd op een stroomrug van de Linge, die nog steeds als Doode Linge hier vlakbij stroomt.

Eenmaal terug in de oude stad komen er nieuwe monumenten voorbij, in de zogenaamde Wederopbouwstijl. Sommige zakelijk en strak, andere met verwijzingen naar oude bouwstijlen, zoals het Post- en Belastingkantoor (nu een appartementencomplex).
Maar ook kom ik een voormalige paardenstal van ruim een eeuw geleden tegen, niet toegankelijk, maar het hek staat open en dus kan ik het goed zien.
Aan de overkant staat Sterkenburg, een 16e eeuws pand, gebouwd op de plek van het 14e eeuwse Tielse Gewanthuys, de Tielse Lakenhal, zeg maar. De kelders stammen nog uit de 14e eeuw.

Ik kom langs een voormalige kleuterschool, een voormalige bank, een voormalige herenkledingwinkel (nu nog Blokker), en dan loop ik het straatje in dat Hof van Arkel heet. Ik heb nooit begrepen waarom dat zo heette, maar daar kom ik vandaag achter.
In 1202 werd de burcht van Tiel vernield en moesten de machthebbers hun intrek nemen bij de burgers. In 1274 werden, waar nu Hof van Arkel is, drie huizen omgebouwd tot een nieuw hof van de Hertogen van Brabant. Toen het gebied in handen kwam van Jan van Arkel heette het Het Hof van Arkel. In 1664 werd het deels gesloopt en in 1897 de toren ook. Wat er nog stond, is in de tweede wereldoorlog opgeblazen door de Duitsers.

Onderlangs de Oliemolenwal (hier stonden vroeger oliemolens) kom ik langs de werfkelders. 1802 zegt de sluitsteen, maar alles is dichtgezet.
In de Korte Nieuwsteeg kom ik langs Nol in ’t Hol, een klein pandje dat al door Blaeu in 1650 op de kaart is getekend. Het is waarschijnlijk veel ouder en aanvankelijk onderdeel van een groot complex dat het Princejaght heette. Die naam kreegt het omdat prins Maurits in de jaren van de Opstand (80-jarige oorlog) wel eens naar Tiel kwam. Hij liet zijn Statenjacht dan afmeren in de Linge (nu de stadsgracht aan de Oliemolenwal).
Het pandje was met 37m2 ooit de kleinste kroeg van Tiel. In 1932 werd Arnoldus Bekker kroegbaas en zo kwam het pand aan zijn bijnaam.

Flipje staat als altijd op de Markt, maar de stadspomp is verdwenen. Dan naar het Plein met de Visafslag uit eind 18e eeuw en via de Weerstraat naar het wellicht oudste pand van Tiel: het Gotisch Huis. Het is begin 16e eeuws en is nog deels oorspronkelijk. De balken in de gevel zijn nu van beton. In de zijkant is nog een poortje te vinden met een huismerk, de initialen HS en het jaartal 1623.

De Vlindertuin is aangelegd op het dak van parkeergarage Bleekveld. Dit was het bleekveld van het Agnietenklooster.
Op Molenhoek 4 staat een ogenschijnlijk bouwvallig huis waarvan het houten balkon al jaren scheef hangt. De rechtermuur vond ik altijd wel opvallend dik en vreemd. Wat blijkt? Het is de muur van de 15e eeuwe kapel van de Cellebroeders die hier een klein klooster bouwden, maar in 1552 alweer vertrokken.

Door de Waterpoort loop ik even het Plein op, tot 1646 de binnenhaven van Tiel. In 1647 werd de Waterpoort gebouwd, die in de tweede wereldoorlog door de Duitsers werd opgeblazen. In 1979 was de Waterpoort in volle luister herbouwd.

Iets wat ik ook niet wist: in Tiel staat de 50.000ste woning van na de oorlog. Een bronzen plaquette uit 1949 memoreert dit feit.

Tijd om naar huis te gaan. In Bellevue geniet ik nog even van warme chocolademelk met wat lekkers en dan is het nog vier kilometer wandelen.


Plaats een reactie