102 jaar geleden overleed een bankier in ruste. Hij was hulpbehoevend geworden in zijn laatste jaren. Een groene leunstoel was omgebouwd tot rolstoel en daarmee kon hij worden vervoerd van zijn slaapkamer naar de bibliotheek en zijn studeerkamer. Daar bracht hij altijd al graag zijn tijd door, maar nu hij de tachtig is gepasseerd en niet meer mobiel, komt hij verder nergens meer.
Wel is er juffrouw Fijn van Draat, die hem helpt bij het beheer van zijn collectie. En natuurlijk het huispersoneel, zoals Jeanne van Aardenne, dat in de keuken zijn maaltijden bereidt en het huis schoonhoudt.
Niemand zou ooit nog van hem gehoord hebben als hij niet een heel bijzonder testament had gemaakt. De Vereniging Oud Dordrecht zou zijn huis en zijn vele verzamelingen krijgen. Onder één voorwaarde: zijn huis moest een museum worden.
Vanmorgen sliep ik lekker uit en om half 10 neem ik op mijn gemak de trein. In Sliedrecht stap ik uit en wandel ik naar de Beneden Merwede. Ik ben ruim op tijd voor de Waterbus naar Dordrecht.
Het blijft mij altijd boeien, zo’n tochtje over het water. In het kleine halfuur zie ik hoe druk de rivier hier is. Er varen vrachtschepen, een vakantieschip, diverse bokken met sleep- en duwbootjes.
Aan de Merwekade stap ik uit en loop ik naar het Groothoofd. Hier, bij dit kruispunt van drie rivieren (de Noord, de Oude Maas en de Beneden Merwede), ga ik even lunchen. Tafeltje aan het raam, natuurlijk, en dan maar kijken naar alle vaartuigen op het water. Fascinerend, vind ik.
En dan ga ik op visite bij de bankier.
Simon van Gijn, zo heette hij, In 1836 geboren in Vlaardingen, en in 1842 in Dordrecht komen wonen. Geschiedenis was zijn passie en zijn moeder moedigde hem aan. Na een rechtenstudie in Leiden werd hij advocaat in Dordecht, maar al vrijwel direct volgde hij zijn vader op als bankier in het familiebedrijf.
In 1864 trouwde hij met Cornelia Vriesendorp en hij en zijn vrouw kochten het huis waar ik vandaag op bezoek kan.
Toen Simon en zijn vrouw het huis kochten was het al bijna 130 jaar oud. Gebouwd in 1729 in opdracht van een rijke regent en in de typische strenge 18e eeuwse stijl met grote symmetrie in de gevel, maar ook binnen.
Simon en Cornelia gingen er wonen en na 20 jaar, tussen 1886 en 1889, was het tijd voor een grootscheepse verbouwing. De grote zaal links van de ingang bleef bestaan (gelukkig maar!), maar rechts kwam een serie geschakelde en-suite kamers. Voor het salon, dan de eetkamer en na een klein gangetje de tuin- of woonkamer met een serre.
Grappig is hoe diverse neostijlen toch een eenheid vormen. Lodewijk XVI in de tuinkamer, Hollandse neorenaissance in de eetkamer en Lodewijk XIV in het salon.
Boven waren de slaapkamers, de studeerkamer en de bibliotheek en later ook een badkamer met toilet.
Ik stap eerst de spoelkeuken binnen en dan de grote keuken. In feite nog uit 1729, behalve de toevoeging van een groot kolenfornuis in de tijd van de Van Gijns.
Ik mag in de kelder kijken, in de voorraadkamers, de dienkeuken, Echt, bijna overal mag je je neus insteken. behalve één kamer. De goudleerkamer. Die wordt gerestaureerd.
Beneden en boven wordt het huis in tweeën gedeeld door de grote gang in het midden. Simon verzamelde van alles en nog wat: penningen en munten, prenten, boeken, scheepsmodellen, zwaarden en speren, aardewerk en de gangen hangen er vol mee. Maar niet chaotisch, geordend en symmetrisch.
Imposant is de grote zaal. Deze ruimte is door Van Gijn nooit aangepast. Het interieur stamt uit 1730 en het is de oudst bewaard gebleven zaal met tapijten in een Nederlands woonhuis. Alle wanden zijn bespannen met tapijten uit Oudenaarde, speciaal gemaakt voor deze zaal. De houten betimmeringen, de schouw , de beschilderingen, zelfs de kroonluchters, alles is intact.
De stoelen zijn niet meer origineel, maar in wel in dezelfde stijl, laat Lodewijk XIV. Als ik iets dichterbij kom, zie ik dat ze allemaal geborduurd zijn. Zelfs het klaptafeltje is geborduurd.
Ik dwaal door het hele huis, zelfs de zolders mag je op. Daar is de collectie speelgoed van de Vereniging Oud-Dordrecht tentoongesteld.
Daaronder is de waszolder, waar de vuile was werd verzameld en na terugkomst van de wasserij werd gemangeld, gestreken en gevouwen.
Moht je je afvragen waarom men destijds zo verschrikkelijk veel linnengoed had (minimaal 12 stel van alles)? Het ging maar twee keer per jaar naar de wasserij. Dan heb je wel wat voorraad nodig.
In het gezellige museumcafé, in het pand ernaast, geniet ik van de koffie en van de Dordtse hemel. Boven mijn hoofd is nl. een plafondbetimmering blootgelegd met daarop enkele stukken van de oorspronkelijke beschildering. Het was in de 18e eeuw de mooie kamer van het buurhuis.
Op naar het volgende huis: het Dordts Patriciërshuis. Het is een paar 100 meter terug aan de Wolwevershaven.
Dit huis is een stuk kleiner dan het Huis van Gijn en ook ouder, zeker 100 jaar ouder, en gebouwd in opdracht van Jacob Trip, de rijke wapenhandelaar die later in Amsterdam ging wonen en de vader van de bouwer van het Trippenhuis aldaar.
Dit huis is wat bescheidener en werd tot 2010 nog bewoond, door de familie Gooshouwer. Zij vatten het plan op om dit pand aan het publiek te tonen en zodoende loop ik hier rond.
Afgelopen zomer werd op TV een serie uitgezonden rondom Johan en Cornelis de Witt en daarbij was het huis figurant.
Mooiste en bijzonderste ruimte is wel de Maaskamer, een halfronde 18e eeuwse toevoeging, van waaruit je schitterend zicht hebt op het rivierenknooppunt. Er staan geen stoelen, maar zou je daar zitten, dan zit je eersterangs. Wat een fantastisch uitzicht!
Het huis is niet alleen kleiner en ouder dan Huis van Gijn, maar ook minder overdadig en vol ingericht. Logisch eigenlijk, want nagenoeg alles is aangekocht om het huis in stijl te meubileren.
Naast mooie schilderijen, zijn dat ook prachtige kabinetten: grote glanzendhouten kasten waarin het linnengoed werd opgeborgen.
Zoals ik in Huis van Gijn al leerde was er zeer veel linnengoed nodig in het huishouden en dat werd bewaakt en uitgegeven door de vrouw des huizes.
In deze kabinetten werd dit keurig gesteven en gevouwen op de planken gelegd. Strikken er om heen, vloeipapier ertussen, mooie kastrandjes aan de planken.
De kasten werden van mooie houtsoorten gemaakt, en versierd met koperen elementen, zoals de sloten, greepjes en de hoeken. Dat blijkt dus gewoon een praktische reden te hebben.
Zonder elektrisch licht wil je graag zonder je te stoten langs een kast lopen of op de tast een deur of een lade kunnen openen. De glans van het koper wees je dan de weg.
En hoe donker het kan zijn, had ik Huis van Gijn gezien. Met zachte nepkaarsverlichting wordt daar de sfeer van ruim een eeuw geleden nagebootst en dan heb je niet veel licht, zeker niet als het niet zonnig is buiten.
Zo, ik stap maar weer eens op. Visite moet niet te lang blijven.
Door mooi Dordt loop ik naar het station: de havens en de grachten, de Grote Kerk, mooie pakhuizen en grachtenhuizen, het stadhuis en natuurlijk de broers De Witt.

















