Op de fiets naar het station sudder ik nog een beetje na op het concert van gisteravond. Meditatieve, minimal, soms dromerige muziek van Bach tot vandaag.
Bach? Ja, ook hij heeft muziek geschreven die minimal genoemd kan worden. In de Doelen in Rotterdam werd in de Grote Zaal een orgelconcert gegeven, waarbij het programma bijzonder goed in elkaar zat. Diverse klassieke componisten werden afgewisseld met hedendaagse componisten, met als rode draad: minimal music.
En dan krijg je parels als Prelude&Fuga in A-mineur (Bach) en Nocturne in Es-majeur (Chopin) voorgeschoteld, naast Experience (Einaudi) en Interstellar (Zimmer). En naast nog meer mooie (film)muziek ook het dromerige Clair de Lune van Débussy.
Vandaag is de droom snel kapot, want ik als het park in loop, sta ik meteen voor Mars, de god van de oorlog, en als om hem kracht bij te zetten, ligt er een enorme kanonsloop naast hem.
Het is oktober en dan is het ook Maand van de Geschiedenis. In het kader daarvan worden overal activiteiten georganiseerd en vandaag wil ik twee lezingen bijwonen. Bij Museum Bronbeek.
Bronbeek is van het Ministerie van Defensie en dat kun je echt overal zien. Het is een tehuis voor oud-militairen én een museum ineen en dat geeft het een aparte sfeer. Er loopt personeel in militair uniform, maar ook in verpleeguniform, er lopen bezoekers van het museum én van de bewoners. De bewoners kom je ook tegen op de gangen en je ziet ook dat het een tehuis is. Er hangt een bordje op een deur dat de arts er niet is, maar wel bereikbaar. Er tegenover een larmoyant schilderij van een stervende Willem van Oranje op de trap in Delft.
Bronbeek is nauw verbonden met het voormalig Nederlands-Indië. Koning Willem III kocht het landgoed in 1854 van de toenmalige eigenaar, maar kwam er nauwelijks. Toen in 1857 besloten werd een koloniaal militair invalidenhuis op te richten, schonk de koning dit landhuis voor dit doel aan de Staat der Nederlanden. Er moest nog veel ver- en gebouwd worden en het resultaat straalt vandaag in de herfstzon, Zachtgeel en zandkleurig, met veranda’s, mooie bomen en boomgroepen in het glooiende park. En monumenten, heel veel monumenten.
Bij het museum zie ik meteen al een heel markant monument. Een beeld van een oude KNIL-militair op een bankje. Levensecht, je zou zo met hem gaan praten.
Om half 11 is de eerste lezing. Egbert Fortuin, hoogleraar Russische Taal en Linguistiek, heeft in 2020 (tijdens de pandemie) zijn tijd gebruikt om in de geschiedenis van de familie van zijn vriend te duiken, meer bepaald de familie van zijn schoonmoeder. Een nazaat van de familie Van Braam, waarvan de directe voorouder Aegidius in 1814 of 1816 in de adelstand werd verheven. Met het predikaat jonkheer/-vrouw.
Veel van zijn familie zat toen al in Indië, en na zijn dood gingen zijn weduwe en zijn vijf kinderen naar Indië (ook zijn vrouw had daar een band mee). Één zoon stierf, maar de andere twee trouwden, werden weduwnaar zonder kinderen en trouwden daarna (heel bijzonder voor die tijd en die plaats) met wat toen een ‘inlandse’ vrouw heette. Hierdoor werden hun kinderen wettig verklaard en kregen zij ook de adellijke titels mee.
Gaandeweg de 19e eeuw trouwt de familie steeds meer met Indische of Indo-Europese mensen, en steeds minder met Nederlanders, waardoor de familie als het ware van kleur verschiet.
De laatste jonkheer laat zich aanspreken met kapitein, zijn legerrang. Die was belangrijker dan jonkheer-zijn. De Nederlandse adel zag hem toch niet staan, en hij was meer Indisch dan Nederlands.
Ik heb het boek gekocht (uiteraard) en ben heel benieuwd naar de belevenissen van deze familie en hoe het wereldgebeuren invloed heeft. Micro- en macrogeschiedenis, zoals dat zo mooi heet.
Na de lezing ga ik op een bank in de zon mijn broodje opeten en ondertussen al in het boek beginnen. En dan ga ik aan de wandel door het park. Het is niet heel groot, maar omdat er zoveel monumenten staan (en die wil ik allemaal even bekijken) ben ik nog wel even bezig.
Er staat een beeld van Koning Willem II, Generaal van Heutsz (natuurlijk), een herinneringsmonument van 40 jaar opheffing KNIL. Een klein mager jongetje (jongenskampen), stukjes spoorlijnen met tempelbellen (Sumatra- en Birma-spoorlijnen), het vrouwenkamp. Ga zo maar door.
Tijd om het museum te bekijken. Beneden is een fotowand over de complete benedengang van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van hoofd- en bijrolspelers van de Indonische Onafhankelijkheidstrijd. Erg indrukwekkend om te zien en de verhalen te lezen.
De voormalige veranda’s zijn een soort eregalerijen voor kanonnen. In de vele oorlogen en strafexpedities in Indië werden diverse kanonnen en mortieren buitgemaakt. Blijkbaar kwamen die in handen van de koning (Willem III), en die schonk ze weer aan Bronbeek.
Op de bovenverdieping is net een nieuwe tentoonstelling geopend. Hier wordt in zes kamers en dus zes thema’s de laatste periode van de kolonisatie belicht.
Jammer is dat context ontbreekt, maar gelukkig kom ik er wel uit. Het is en blijft vervreemdend om te beseffen dat het zo ‘gewoon’ was, dat Nederland-Indië defacto een wingewest was geworden in de loop van de 19e eeuw.
Ik herinner me dat we op school klassikaal boekjes lazen over Jaap en Gerdientje. De ouders van Gerdientje gingen naar Indië en Gerdientje bleef bij oma. De verhalen over Indië waren romantisch en vol van het goede leven daar. Wat ik niet wist was dat het alleen gold voor de Nederlandse bovenlaag, niet voor de gewone man en vrouw in Indonesië.
Na de Tweede Wereldoorlog zocht Indonesië de zelfstandigheid en riep die ook uit.
De zaal die daarover gaat, maakt diepe indruk op mij. In een ovaal staan de vitrines opgesteld, de rondetafelconferentie in herinnering roepend. Daarboven filmbeelden van feestende mensen: ze zijn vrij, ze zijn zelfstandig. Dan de verwoestingen van de oorlog, brand, dood en verderf. Gruwelijk!
Het waren de beruchte politionele acties, waarover we op school leerden en die we beslist geen oorlog moesten noemen. We begrepen niet goed waarom niet.
En tijdens de tweede lezing krijg ik daar antwoord op. Die lezing gaat over het Nederlandse leger als ‘tool of an empire’, het gereedschap van het rijk.
Het Nederlandse leger bestond uit twee delen, in Nederland een leger ter verdediging tegen buitenlandse invallen, en in Nederlands-Indië zowel tegen buitenlandse inmenging als om binnenlandse onlusten tegen te gaan. Dus eigenlijk optreden als politie-agent.
Het is een harde geschiedenisles, die oorlog in Indië. In de laatste zaal kun je reflecteren op die geschiedenis. Ik denk aan twee van mijn ooms, zwagers van mijn vader, die beiden naar Indië zijn geweest. In elk geval één heeft er PTSS door opgelopen.
Oorlog, wat is het spannend om zoiets in een boek te lezen, of in een film te bekijken, maar de gevolgen…? Ik raakte in één van de zalen aan de praat met iemand, zelf op missie geweest, niets aan over gehouden, één kind, ook soldaat, wel.
Als ouder droom je van een toekomst voor je kinderen, misschien wel dat ze in je voetstappen volgen, maar niet dit.







