16 september: En weer loop ik station Leiden uit, op weg naar het RMO, voor lezing nummer drie. Ik heb nog tijd voor een cappuccino die ik opdrink onder het toeziend oog van farao Amenhotep.
Er zijn minder mensen dan vrijdag en donderdag, maar toch is de zaal goed gevuld. Ik zoek een mooie plek uit en bekijk de afbeelding op het scherm: een zwart papyrus fragment waarop enkele tekens te ontwaren zijn.
Titel van de lezing: Verdwenen schrift – Grieks
Mark de Kreij wordt geïntroduceerd en hij beantwoordt gelijk de vraag die bij sommigen zal leven: we weten toch wat Grieks is, daar hebben we toch boeken vol van? Klopt! Maar dat zijn overschrijvingen van overschrijvingen met de nodige fouten en interpretaties bij het kopiëren. Niet de originele teksten door Grieken geschreven.
Die originelen zijn wel gevonden. In Egypte en ook in Italië zijn fragmenten en grotere stukken papyrus gevonden waarop Grieks schrift staat. Papyrus is kwetsbaar en vooral in Egypte, met een droog klimaat, bleef het nog het best bewaard. Uiteraard is het papyrus beschadigd en zo liggen er bij diverse universiteiten over de wereld duizenden niet ontcijferde teksten, variërend van minuscule fragmenten tot complete papyrusrollen.
Inderdaad, complete papyrusrollen.
Dat zit zo. Het ontcijferen van deze papyrii is tijdrovend werk. Je moet de Griekse taal kennen, maar ook de Griekse cultuur, zodat je een tekst snel kunt plaatsen.
Mark laat een klein ‘vodje’ zien op het scherm. Gerafeld en met gaatjes. Toch kon hij het ontcijferen en het blijkt een kwitantie te zijn van betaalde belastingen. Nogal gewoon, eigenlijk, en relatief makkelijk.
Lastiger zijn de literaire teksten. Dan moet je afgaan op je kennis van andere Griekse teksten en hopen dat jouw stukje papyrus daarmee raakvlakken heeft.
Nog moeilijker wordt het bij de beroemde papyrusrollen van Herculaneum. Dit stadje raakte samen met Pompeï bedolven onder as en lava bij de uitbarsting van de Vesuvius.
Bij opgravingen lang geleden werd een bibliotheek ontdekt met daarin de papyrusrollen nog aanwezig, samengeperst en verkoold.
Er werd in de loop der tijd van alles geprobeerd om er achter te komen wat er staat. Afpellen, doorsnijden, bevochtigen, afrollen en dan heel snel optekenen wat er staat. En de rollen waren voorgoed weg!
Nu, in deze tijd, is er de synchotron (deeltjesversneller en supermicroscoop ineen). Hiermee is het mogelijk zo’n brok verkoolde papyrus te scannen en digitaal te ontrollen.
Maar de tekst liet zich niet zien. Daarvoor werd later met crowdsourcing naar oplossingen gezocht.
Het geeft maar aan hoe veel kunde, kennis, tijd, energie én geld gestoken wordt in de ontcijfering van oude geschriften.
Ik denk nog even terug aan de jaren ’70. Net als velen hadden we een papyrusplant in huis en zelfs in de klas. (Achteraf blijkt dat de parapluplant te zijn geweest, het zusje of broertje van de papyrus.) Hiervan werd papyrus gemaakt, dat wist ik. Maar hoe?
Dat heb ik dus maar even opgezocht. De stengels van het riet werden in repen gesneden en die repen werden verticaal neergelegd. Daarop werd horizontaal nog een laag repen gelegd. Het plantsap kleefde het als lijm aan elkaar. Dan werd het besmeerd met lijm, zodat de inkt niet uitvloeide en dan gepolijst.
De horizontale kant werd beschreven, omdat de bladnerven houvast boden bij het schrijven.
17 september: zelfde riedeltje: bus naar Utrecht Centraal, trein naar Leiden, maar nu ga ik nog even het museum in. Mijn museumkaart is dan echt een uitkomst. Ik ren de trappen op en neem snel een kijkje bij de Grieken en de Etrusken.
Prachtige albasten asdozen van de Etrusken en schitterende vazen van de Grieken. Sommigen net zo in elkaar gepuzzeld als de oude teksten.
En dan zoek ik snel mijn plekje op in de Tempelzaal voor lezing vier.
Titel van de lezing: Kalašma en Kaška – twee nieuw ontdekte spijkerschrifttalen uit Anatolië
Willemijn Waal trapt af met een overzicht in vogelvlucht van de talen van Anatolië, grotendeels het huidige Turkije. In het tweede millennium voor Christus heersten hier de Hittieten, die het spijkerschrift hadden overgenomen uit Mesopotamië.
Tot een paar jaar geleden waren er acht talen bekend:
- Het Hittitisch (uiteraard)
- Sumerisch
- Akkadisch
- Hurritisch
- Hiẽrogliefen-Luwisch
- Spijkerschrift-Luwisch
- Palaisch
- Hattisch
En sinds kort kunnen hier twee talen aan toegevoegd worden: de taal van de stad Kalašma en de taal van de Kaška-mensen, een nomadenvolk. En hierover vertelt Alwin Kloekhorst ons vol enthousiasme.
Hoe vind je zo’n nieuwe taal? Er zijn duizenden niet ontcijferde tabletten met spijkerschrift en als je als wetenschapper een stuk gaat onderzoeken kan je soms iets nieuws ontdekken (Kaška) of er wordt inderdaad een nieuwe vondst gedaan (Kalašma).
De Hittieten waren een volk dat het polytheïsme (veelgodendom) tot een kunst had verheven. Bij het veroveren of inlijven van steden of gebieden van andere stammen en volken namen ze goden over en aanbaden die ook.
Om er zeker van te zijn dat die nieuwe goden hen konden verstaan, werden formules en gebeden uit de taal van dat volk of die stam gebruikt.
En zo werden deze nieuwe talen ontdekt, als een aanroeping opgenomen in een Hittitische tekst. Daarmee weet je nog niet wat het betekent al worden goede en verrassende interpretaties voorgesteld. En misschien kom je het nooit te weten. Of er wordt nog een andere tekst gevonden, bij een opgraving of in een universiteitsarchief.
Wat is spijkerschrift: Het is een schrift dat zich rond 3500 voor Christus ontwikkelde in het zuiden van Mesopotamië, in het land van Soemer, in het huidige Irak. Het Soemerisch is daarmee de de oudste bewaard gebleven taal van het oude Nabije Oosten. Spijkerschrift werd geschreven op kleitabletten, door met een rietstengel wig- en spijkervormige inkepingen te maken.
En om alles even in perspectief te zetten: het spijkerschrift is langer gebruikt dan ons huidige alfabet nu in gebruik is.




