Op 12 september startte de Week van het Oude Schrift met een serie lezingen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik heb mijn werk zo kunnen plooien dat ik ze alle zes zal kunnen bijwonen.


12 september is de start met de Champollion-lezing, genoemd naar de Franse taalkundige die in 1822 een doorbraak had bij het ontcijferen van de Egyptische hiërogliefen. De Tempelzaal, de hal van het museum, is de perfecte achtergrond voor de 1e lezing. En tot mijn verrassing loopt de zaal helemaal vol.

Titel van de lezing: Hiërogliefen. Een volmaakt samenspel van beeld en taal.

Hiërogliefen: het woord komt van het Oud-Grieks. Hieros – “heilig”, glyphoi – “groeven” en dat waren ze ook. De tekens werden veelal gebruikt in tempels en de grafmonumenten die farao’s en andere hoogwaardigheidsbekleders voor zichzelf lieten oprichten.

Toon Sykora laat ons aan de hand van diverse voorbeelden zien hoe je hiërogliefen kunt lezen als een creatief samenspel van beeld en taal.
Er zijn tekens die een letter voorstellen, maar ook ideeën of een klank. Het komt er dus op aan de context te lezen en dan kun je verder.

Een cartouche, een ovaal met daarin tekens, is altijd een koningsnaam en een koning had meerdere namen, in totaal vijf, en daarom hij kon zichzelf op velerlei wijze laten afbeelden.

Geboortenaam en troonnaam van farao Seti I

Mooi voorbeeld dat wordt aangehaald is Hatjepsoet, de koningin die zich met koning liet aanspreken. In haar opdracht werd een fries ogenschijnlijk fraai gedecoreerd met slangen. Beter bekeken is het haar troonnaam en dan telkens herhaald. 
En zo haalt de spreker nog meer voorbeelden aan van andere farao’s zoals Ramses II en Toetanchamon.

Fascinerend is deze wereld. Drieduizend jaar lang werd dit schrift gebruikt, terwijl het niet makkelijk was. Het vrat ruimte en vergde een zware opleiding van de betrokken ambtenaren en het was dus kostbaar. Een tempel of een grafmonument met hiërogliefen beschilderen en beeldhouwen kon jaren vergen. Het was een soort propagandataal, die uiteindelijk verdween en eeuwen later onbegrijpelijk leek. Tot Champollion.


13 september: ik reisde wat eerder af naar Leiden en kon daardoor kort even naar de tentoonstelling over Egypte. Lang leve de museumkaart. Na de lezing van gisteren wilde ik even de hiërogliefen van dichtbij bekijken. Vol bewondering loop ik langs de vitrines. Wat een vakmanschap!

In hard graniet lijken de afbeeldingen nog net zo duidelijk als op de dag dat ze werden gegrift. In de zachtere steen zijn ze verweerd  maar het blijft prachtig om te zien.

En dan de doodskisten die als een soort Matroesjka’s in elkaar pasten, versierd met prachtige afbeeldingen van goden, bezweringen en zegebeden. Prachtig gekleurd. Nog steeds.

Ik heb nog tijd voor koffie mét en dan loopt de Tempelzaal (genoemd naar de tempel van Taffeh die er staat) langzaam vol. Tijd om een plekje op te zoeken.

Titel van de lezing: Stil! Hoor de Etrusken!

Koen Wylin neemt ons mee in de kunst van het begrijpen (niet vertalen!) van het Etruskisch, de taal van de Etrusken die in Etrurië woonden, in het huidige Italië. Begrensd door de Apuaanse Alpen en de Thyreense Zee, in Toscane en delen van Umbrië en Latium. Bloeitijd 7e tot 6e eeuw voor Christus, net voor de Romeinen aan.

Waar van andere omringende talen soms een tiental of een honderdtal teksten zijn overgeleverd, zijn er meer dan 12.000 Etruskische teksten overgeleverd.

En dat is van alles: grafschriften, votiefschriften, bezittersopschriften maar ook de lever van Piacenza (een levervormige steen met godennamen, in gebruik bij zieners), de plaatjes van Pyrgi (gouden blaadjes met een drietalig opschrift), de Tabula Cortonensis (een contract over grondverkoop).

Het alfabet is geënt op het Griekse, met weglating van letters die ze niet gebruiken (de O, de D en de B) en toevoeging van letters die wel nodig zijn (diverse S-klanken). Ze hebben het overgenomen van de Grieken omdat die hun belangrijkste handelspartner waren.

Op basis daarvan en omdat de Romeinen woorden uit Etruskisch vertalen neemt men aan dat de uitspraak van de letters grotendeels overeenkomt met het Latijn.

Via diverse teksten legt Koen uit hoe men aan vertalingen komt, maar ook welke obstakels er zijn. Homoniemen (woorden die twee betekenissen hebben), dialecten, achtervoegsels die dat niet altijd zijn (vgl bollenveld en beneveld) en zo zijn er meer valkuilen.

Toch wil hij ons niet onthouden hoe volgens hem de Etrusken ‘Leiden, 13 september’ zouden hebben kunnen noemen.

Turmsalþi – celi cis saris

Hierbij is hij uitgegaan van de Romeinse naam: Lugdunum waarbij het Keltische woord Lug staat voor de god van de handel, Mercurius in het Latijn en Turms in het Etruskisch.

Grappig detail: vandaag is het vrijdag de 13e en volgens de Romeinen waren de Etrusken het meest bijgelovige volk dat ze kenden.

En de Thyreense zee? die heet naar de Etrusken. Door de Grieken werden ze nl. Tyrrhênoi genoemd.


Plaats een reactie