Ze keken niet op een kuub beton meer of minder, die Duitsers.
Ik loop de ingang van de bunker in en realiseer me pas later dat de muren van de ingang ruim drie meter dik zijn, allemaal gewapend beton. Deze bunker is bijna niet kapot te krijgen. En dat bleek ook, bij de vernietiging van de apparatuur. De Duitsers brachten een aantal vliegtuigbommen in de grootste ruimte tot ontploffing en dat leidde tot grote ravage maar alleen in die ruimte, verder niet.
Eergisteren zag ik op Instagram een berichtje voorbij komen dat Commandobunker Diogenes was opengesteld. Aan de Koningsweg in Schaarsbergen, vlak naast de ingang van het Park De Hoge Veluwe. Ik kon me niet herinneren daar ook maar ooit iets te hebben gezien, maar goed, ik vanmorgen op pad met de fiets op de trein naar Arnhem.
Vandaar via een prachtige route door de heuvels en de bossen in noordelijke richting. Het is nog niet warm, maar wel erg benauwd en klam na de regen van gisteravond en ik ben dan ook blij als ik na acht kilometer de inrit oprij.
En inderdaad doemt tussen de bossen een massieve donkergrijze wand op, vochtig uitgeslagen, met mossen en groene aanslag.
Ik parkeer mijn fiets en ga snel naar binnen. Het is half 11 en dan gaat het open.
Ik krijg een nummertje (40) en wacht geduldig tot ik naar binnen mag. Vanwege de veiligheid mogen er niet meer dan 40 tot 45 mensen tegelijkertijd in het gebouw aanwezig zijn. Na een kwartiertje mag ik mijn badge in ontvangst nemen en de route door de bunker gaan volgen.
Waarvoor is deze bunker eigenlijk gebouwd?
Al in het begin van de Tweede Wereldoorlog bombardeerden de Britten Duitse doelen. Na grote verliezen onder hun bommenwerpers bij aanvallen overdag, besloten ze vanaf begin 1940 alleen nog maar ’s nachts te bombarderen. De Luftwaffe moest maatregelen nemen en gaf Wolfgang Falck de opdracht een Nachtjagdgeschwader op te richten.
Josef Kammhuber werd benoemd tot commandant van de 1. Nachtjagddivision en dat hield in dat hij belast werd met de hele nachtelijke luchtverdediging. Hij vestigde zich in Driebergen en Falck en zijn staf werd in Deelen geplaatst, op de daar in aanbouw zijnde Fliegerhorst.
Het noordwesten van Europa was door Kammhuber in sectoren verdeeld en iedere divisie kreeg een sector toegewezen. Een divisiehoofdkwartier zat altijd op of bij een Fliegerhorst, waar de staf en vliegende eenheden gelegerd waren. De 1. Nachtjagdivision vestigde zich op het terrein van sanatorium Koningsheide in Schaarsbergen. In het sanatorium werd het hoofdkwartier gevestigd.
Meteen werd begonnen met de bouw van een Gefechtsstand, een gevechtsleidingscentrum, met als codenaam Diogenes 1. Vergelijkbare centra werden vernoemd naar Griekse filosofen met een beginletter die verwees naar de plaats. Diogenes & Deelen.
Hart van het gebouw is de Großkampfraum, een grote zaal met een glazen kaart van 9 meter breed en 7 meter hoog, waarop het divisieluchtruim was geëtst. Deze kaart was in kwadranten verdeeld en met een speciaal apparaat konden de hoogtes worden aangegeven van de vliegtuigen.
Luftwaffehelferinnen (Blitzmädel) tekenden met kleurstiften op de achterzijde de posities in van eigen en vijandelijke vliegtuigen.
Zij kregen hun informatie uit de aangrenzenden Flugmeldeauswerteräume. De leiding aan de andere kant van de glazen kaart kreeg zo een totaalbeeld van het luchtruim en kond op basis hiervan bevelen geven.
Tevens werd een wijd vertakt kabelnet aangelegd naar alle radarstations, vliegvelden, commandocentrales en de telefooncentale in Arnhem. Diogones werd zo de nieuwe standaard in de gecentraliseerde aanpak van de luchtverdediging.
En dat in een provisorisch gebouw.
In december 1942 begint de bouw van de opvolger/vervanger: commandobunker, Diogenes ll. Een enorm kwarwei, waarvoor maar liefst 65.000 m³ beton werd gebruikt.
Om alle materiaal (wapeningsstaal, bekisting, beton) aan te voeren werd vanaf de Rhijnspoorweg (Amsterdam-Elten) een aftakking naar deze plek gemaakt. De bijnaam ‘Bommenlijntje’ kreeg het omdat er ook munitie over werd aangevoerd.
De bunker moest bescherming bieden tegen bombardementen en gasaanvallen. Vandaar de muurdikte van ruim 3.5 meter.
De bunker heeft een hoofdruimte (14 meter hoog, 15 meter breed, 32 meter lang), de Großkampfraum. Daarom heen zijn op drie verdiepingen ruimtes gebouwd voor ondersteunend gebruik.
De bunker was voorzien van een kantine, een noodhospitaal en een bioscoop.
Tegen de bunker is het administratiegebouw gezet, met muren van slechts een halve meter dik.
De bunker werd bruin geschilderd en van camouflagenetten voorzien.
De bunker had een eigen watervoorziening via bronnen en putten en een waterreservoir dat als een soort watertoren functioneerde. In de kelder zaten de verwarming en de noodstroom.
En er was een luchtverversingsinstallatie met een gigantische capaciteit (90.000 tot 120.000 l/m). Moet ook wel, want er werkten hier ca. 300 tot 400 mensen tegelijk in deze bunker. Ik zie op sommige plekken nog de originele afvoerroosters.
Negen maanden duurde de bouw van deze betonnen kolos en negen maanden lang werd het gebruikt als commadondaruimte.
Op 15 augustus en 3 september 1944 wordt Fliegerhorst Deelen gebombardeerd en verlaten de vliegende eenheden het vliegveld. Het commando verhuist naar Duisburg.
Op de eerste dag van Operatie Market Garden (17 september 1944) brachten de Duitsers een aantal vliegtuigbommen in de bunker tot ontploffing, niet om het gebouw te vernietigen maar de appartuur mocht niet in handen van de geallieerden vallen.
Het is letterlijk geschiedenis in beton gevat. Ik loop de aangegeven route en verbaas me over de vele ruimtes. Na de oorlog heeft het als opslagplaats voor explosieven dienst gedaan (er werden zelfs explosieven tot ontploffing gebracht), als hulpdepot van het Rijksarchief, als opslag een deel van de collectie van het Nederlands Openlucht Museum.
Van de Großkampfraum is alleen bovenin nog iets te zien. Onder de vloer zijn verdiepingen aangebracht waar het archief ooit werd ondergebracht. Het is zelfs nu nog een hele grote ruimte, maar ik moet wel moeite om me voor te stellen hoe het was, ondanks de foto’s die te zien zijn.
In de bunker zijn twee bijzondere kunstwerken aanwezig.
In een ruimte is een soort slaapzaaltje ingericht, als of de Blitzmädel elk moment binnen kunnen komen. Op de bedden liggen spreien, handgebreid, met voorstellingen van luchtfoto’s in zwart-wit, met vrouwennamen in rood geborduurd.
En bij de start hangt een geweven kleed, doorzichtig jaquard met lichtgevende draden er in. Het vormt één geheel met een lichtspel van drie minuten, waardoor je iets ziet van een grid en vliegbewegingen.
En het verwrongen staal van de ingestorte tribunes waarop de Blitzmädel ooit hun werk deden.
Diep onder de indruk loop ik naar de uitgang, om bijna vast te lopen in een grote groep mensen, die nog staat te wachten tot ze naar binnen kunnen.
Tijd om naar huis te gaan. In Wolfheeze zie ik de wandelaars van de Airborne Wandeltocht die vandaag plaatsvindt. In Oosterbeek weer en in Renkum.
Bijna thuis maak ik een ommetje door het centrum en hoor de klokken van de Maartenskerk. Het carillon bestaat 60 jaar en dat wordt vandaag gevierd.
Ik maak het laatste stukje mee en bekijk een filmpje over het carillon.
De kerk bezat voor de oorlog nog maar vier klokken, uit de 16e eeuw. De overige zes waren al verkocht door de gemeente in de 19e eeuw. Geldgebrek.
De Duitsers namen de overgebleven vier klokken mee, voor de wapenindustrie, maar na de oorlog kwamen alle vier de klokken terug. De Maria, de Laurens en de Ursula staan achter in de kerk op de grond opgesteld. Ze waren kapot en niet meer bruikbaar.
Maar de Salvator nog wel. En die slaat elke dag nog de uren en wordt geluid bij kerkdiensten, begrafenissen en herdenkingen, zoals op 4 mei.










