‘We naderen station Veendam. We verzoeken u vriendelijk hier uit te stappen.’ Bloedserieus is de jonge conducteur, lichtgele blouse, donkerblauwe broek, pet met embleem op. Hij had onze kaartjes geknipt, heen en terug. En nu was het tijd om afscheid te nemen van de stoomtrein. De hekjes worden opengemaakt en via een houten trapje belanden we weer in 2024.
Wat zou dit stukje Nederland anders zijn ontsloten en ontwikkeld als alle spoorlijnen waren blijven bestaan.
De NOLS (Noordoosterlocaalspoorweg Maatschappij) werd in 1899 opgericht ter exploitatie van spoorwegen in het noordoosten van Nederland. De NOLS legde de spoorlijn aan van Zwolle via Mariënberg, Coevorden, Emmen, Gasselternijveen, Stadskanaal, Zuidbroek naar Delfzijl, met aftakkingen van Mariënberg naar Almelo, van Coevorden naar de Duitse grens bij Laarwald en van Gasselternijveen naar Assen. Tot 1938 was de NOLS eigenaar van deze lijn.
Gisteren heb ik voor een restant baanvak gestaan zonder het te beseffen, bij de hunebedden van Rolde. En zo zijn er meer restanten in het landschap.
Het netwerk van NOLS bestond uit de volgende spoorlijnen:
- Spoorlijn Stadskanaal – Zuidbroek (deels in gebruik, deels museumspoorlijn)
- Spoorlijn Zuidbroek – Delfzijl (opgeheven)
- Spoorlijn Zwolle – Stadskanaal (vanaf Emmen opgeheven)
- Spoorlijn Gasselternijveen – Assen (opgeheven)
- Spoorlijn Mariënberg – Almelo (nog in gebruik)
En wij zijn vandaag in Veendam. Het stukje van Zuidbroek naar Veendam is in 2011 weer geopend voor reizigersvervoer, maar wij komen voor het stukje naar Stadskanaal.
De Museumspoorlijn STAR rijdt vandaag een paar maal heen en weer en wij mogen om 12 uur opstappen na prachtige papieren kaartjes te hebben aangeschaft.
Uiteraard zijn we er eerder want de locomotief moet rangeren en dat is een spektakel dat we niet willen missen.
Dan instappen en daar gaan we. Er zijn geen bewaakte overwegen op dit stuk spoorlijn en dat betekent stilstaan, stoomfluit blazen en dan wachten en voorzichtig optrekken.
40 minuten later zijn we in Stadskanaal waar een klein museum is plus een rangeerterrein met ontzettend veel oude wagons en locomotieven.
Na terugkomst in Veendam bezoeken we het Veenkoloniaal Museum, gevestigd in de voormalige RHBS, gesticht op initiatief van Anthony Winkler Prins (die van de encyclopedieën). Wist je dat hij gewoon Prins heette? Hij heeft zijn moeders naam er bij aan geplakt.
In het museum wordt de vervening belicht, maar ook de gouden tijden van de 19e eeuw toen zeevaart, landbouw en landbouwindustrie tot grote bloei kwamen.
Veel handel werd gedreven over de Oostzee en daarom is er zelfs een Rigazaal, ingericht met porselein en zilveren lepels.
Dit hele gebied is door de mens ingericht. Afgraven van het hoogveen, aanleg kanalen en vaarten. Dorpjes ontstaan, grote percelen landbouwgrond worden uitgegeven, industrie ontstaat (strokarton en aardappelmeel). En scheepswerven. In dit gebied woonden op enig moment meer kapiteins dan in Rotterdam en Amsterdam tezamen.
Bij de sluis van Martenshoek, vroeger een dorpje, nu een wijk van Hoogezand-Sappemeer, werden in de drukste jaren 15.000 schepen per jaar geschut. Dat zijn er zo’n 50 per dag geweest.
Het is onmogelijk dit verleden op te roepen. De foto’s doen bevreemdend aan. Maar op TopoTijdreis kan ik wel de spoorlijnen zien. En je kunt met de stoomtrein even terug in de tijd!
En die spoorlijnen? Die hadden gewoon moeten blijven. Van de bestaande maak ik vanavond gretig gebruik. Een lange reis naar Leeuwarden. Voor een orgelconcert.
Waarom heet Stadskanaal zo?
In 1765 besloot de stad Groningen een kanaal te laten graven van Bareveld bij Veendam tot Ter Apel, vandaar de naam. Hiermee werd de ontginning van het hoogveen van het Bourtangermoeras bevorderd. Dit kanaal kwam te liggen op de grens van Groningen en Drenthe, langs de Semslinie, de in 1615 uitgezette grens.
Het kanaal werd 38 km lang en was door de turfvaart één van de drukst bevaren routes van Nederland. Wachttijden bij sluizen liepen soms in de uren. En waar gewacht wordt ontstaat negotie. Winkeltjes en cafés waren de eerste bebouwing. Zo ontstonden de typische lintdorpen Stadskanaal en Musselkanaal.
Toen al het veen was afgegraven, werden op het Stadskanaal veel landbouwproducten vervoerd, zoals aardappelen voor de aardappelmeelindustrie en stro voor de strokartonfabrieken.
Ook waren er scheepswerven waar met name binnenvaartschepen werden gebouwd en ook kleine zeeschepen van de helling liepen.
33 km gefietst maakt 778
2 musea bezocht maakt 6
1 kerk bezocht maakt 17
1 orgelconcert maakt 8








