‘Loop naar de Mookerheide.’ Zo luidt toch de zegswijze?
Vandaag doe ik dat letterlijk. Ik heb een rustig dagje ingepland en tegen het middaguur vertrek ik met de trein naar Mook-Molenhoek.
Dit station ligt tussen beide dorpjes in en grenst onmiddellijk aan het natuurgebied. Ik loop zo van het perron af een smal paadje op, tussen struiken door. En dan ga ik naar een grote verrassing in dit heuvelachtige bos- en heidegebeid: Jachtslot Mookerheide.
Het zalmroze hoofdgebouw heeft gele dakpannen en de massieve vierkantige toren heeft lichtgroene/turquoise dakbedekking. Overal zijn versieringen aangebracht in kleine tegeltjes. Geel, turquoise, lila, paars, 35.000 tegeltjes versieren het hele hoofdgebouw in prachtige motieven. Het Jugendstil-gebouw stamt uit 1904 en is recent gerestaureerd. De binnenkant schijnt al even prachtig te zijn, maar die kan ik helaas niet zien. Dan moet ik apart een rondleiding boeken. Reden om een keer terug te komen.
Na een kleurrijk gebakje bij de koffie is het tijd om verder te wandelen. Ik combineer twee wandelingen door dit gebied en het is onmogelijk je voor te stellen hoe er in april 1574 moet zijn gevochten, dit jaar 450 geleden.
De heide was toen natuurlijk een veel groter gebied dan nu het geval is. De slag op deze heide was het besluit van de derde invasie van Oranje in de Spaanse Nederlanden (vanaf februari 1574). Leiding lag in handen van Oranje’s jongere broer, Lodewijk, en diens secondanten Hendrik van Nassau (zijn broer) en Christoffel van de Palts (oomzegger van graaf Egmont).
Via de oostelijke Maasoever willen Lodewijk en Hendrik richting de Betuwe trekken. Ze hebben zo’n 5500-6000 man infanterie en 1700 man cavalerie, velen bewapend met vuurwapens. Het Spaanse leger is kleiner, 4700 man infanterie en 800 cavaleristen, velen bewapend met lansen en pieken.
Oranje bevindt zich nl. in de Betuwe. De Spanjaarden onderbreken hun beleg van Leiden zelfs om Oranje te verhinderen Holland in te trekken.
20 februari 1574: Lodewijk nadert Maastricht, maar tegenstander d’Ávila stelt de brug over Maas zeker en Lodewijk kan niet richting Brabant.
Lodewijk heeft heel wat te stellen met zijn leger. Haperende bevoorrading en onwillige manschappen die soldij eisen voor verder te trekken. Een deel van de cavalerie wordt afgedankt, vanwege geldgebrek. En artillerie van betekenis heeft hij ook al niet.
Twee week april 1574. Hij is bij Roermond in de buurt en hoopt een schipbrug over de Maas te bouwen, maar Spaanse aanvallen dunnen zijn gelederen flink uit. Lodewijk gaat verder, noordwaarts, en d’Ávila begrijpt dat hij aansluiting zoekt bij het leger van zijn broer dat zich tussen Dordrecht en de Bommelerwaard ophoudt.
13 april 1574: de Nassau’s arriveren met hun troepen in Mook. Wat ze niet weten is dat Spaanse troepen bij Grave op 12 april de Maas al met een pontonbrug zijn overgestoken en zich tussen Heumen en Overasselt hebben gelegerd.
Iets zuidelijker ligt Katwijk. Spaanse soldaten daar maken in de nacht van 13 op 14 april onophoudelijk lawaai met trompetten, trommels en geweerschoten. Dit bemoeilijkt lokalisering van de Spaanse troepen, maar zorgt ook voor een slapeloze nacht aan de kant van het opstandelingenleger.
Een confrontatie tussen de cavalerieafdelingen wordt in het voordeel van de Nassau’s beslecht, maar het terrein is ongunstiger dan de broers in de gaten hebben. De Spanjaarden hebben met verschansingen tussen Mook en Heumen een doortocht geblokkeerd.
Ingraven en rusten, dat gaat men nu doen. Morgen weer verder.
En de volgende dag, 14 april, beginnen al vroeg in de ochtend de eerste gevechten. Nassau’s troepen houden goed stand bij aanvang van de strijd, maar de Spaanse versterkingen maken hun situatie onhoudbaar.
Als de verschansingen eenmaal doorbroken zijn, vechten de ruiters een beslissende slag uit. Lodewijks infanterie vertrouwt op vuurwapens, maar het kost veel tijd om die te herladen. De Spaanse troepen vechten met speren en lansen en overrompelen Nassau’s troepen.
Een gruwelijke moordpartij volgt en de overlevenden slaan op de vlucht, richting Gennep, waar ze in de moerassen vastlopen en alsnog omkomen.
Lodewijk (36 jaar) en Hendrik (23 jaar) behoren tot de omgekomenen. Hun lichamen zijn nooit gevonden, net als die van veel van hun medestrijders. Wel is in 1794 een bevelhebbersstaf van één van de broers gevonden.
Een volksverhaal vertelt dat na de veldslag de zielen van de verslagenen als lichtjes over de heide doolden. Totdat er een Maria-kapelletje werd gebouwd, de Onze-Lieve-Vrouw van de Dwaallichtjeskapel.
Dit hele verhaal is in schril contrast met het prachtige gebied waar ik door wandel. Overal bossen, bloeiende heide, mooie vergezichten, en de rust.
9 km gefietst maakt 679
9 km gewandeld maakt 63.1





