Als ik er bijna 50 kilometer op heb zitten begint het zachtjes te regenen. Net te hard om door te fietsen, en het is veel te warm om een regenjas aan te doen. Ik zie een bord voor het Theehuis de Lage Brug en herinner me dat je daar mooi aan het water kan zitten. De gastheer is net bezig alle parasols op te zetten en ik kan lekker droog zitten tijdens het korte buitje. Ik drink een 0.0 biertje met daarbij een versgebakken wafel met aardbeien en slagroom. Combinatie van niks, ik weet het, maar het smaakt prima.
Ik ben onderweg voor een korte rondrit door een deel van de geschiedenis van ons koningshuis. Zondag heb ik Buren gedaan, vandaag ga ik naar Breda. Ik hou een eigen volgorde aan, zoals je merkt.
Na de hitte van de afgelopen dagen was het koeler maar heel erg benauwd geworden. Slapen lukte nauwelijks en op de fiets was het zweten geblazen.
In Waardenburg, net 10 kilometer van huis, was het tijd voor koffie. Heel toepasselijk nam ik een gebakje erbij dat ‘kasteeltje’ heet.
Ik steek de Waal over naar Zaltbommel en door de Bommeler Waard ga ik naar Nederhemert Noord waar ik met de pont naar Zuid oversteek. Langs de Maas ga ik naar Drongelen, waar ik het Kapelsche Veer pak naar Sprang-Capelle.
Ik ben nu in de Langstraat, vanouds bekend van de leerindustrie en ik fiets op het Halvezolenpad, de voormalige spoorlijn, aangelegd van de opbrengsten uit Nederlands-Indië.
Dit gebied was ooit deel van het graafschap Holland en werd door de Sint Elisabethsvloed van 1421 gescheiden van de rest van het graafschap. Ik kom langs de Donge gereconstrueerde houten grenspalen tegen. Holland en Brabant.
Jan van Beijeren, de graaf van Holland, beval in 1422 dat een dijk moest worden aangelegd in dit moerassige gebied, van Geertruidenberg oostwaarts naar Waalwijk. Het duurde nog tot 1461 voordat een primitief dijkje was aangelegd. Dit dijkje kreeg de naam de Langhe Straet en er ontstonden langs deze dijk diverse dorpen.
In Dorst stop ik even bij de Sint Marcoen. De kerk is van sobere baksteen, maar de naam intrigeert. Marcoen? Het blijkt dat dit de enige kerk in Nederland is die gewijd is aan deze Normandische heilige. Marcoul of Marcouf heette hij, Marculphus in het Latijn. De kerk bezit sinds de 17e eeuw een reliek van hem, tenminste het kerkgenootschap. De kerk zelf is uit 1912, geesteskind van Jos Cuypers, zoon van Pierre.
Na inchecken in het hotel is het tijd om naar Breda te gaan. Eerst natuurlijk naar de Grote Kerk en dan de podwalk. Het regent weer een beetje en ik trek toch mijn regenjas maar aan.
De Grote Kerk is een schoolvoorbeeld van Brabantse Gotiek. Er is duidelijk gekeken naar de Franse kerken bij het bouwen van deze kerk. In 1410 startte de bouw, op de plek van een voorganger. Na het koor werd het schip met zijbeuken en transept gebouwd. De oude toren stortte in 1457 in, maar in 1509 was de nieuwe toren gereed, die er nog steeds staat, al heeft die wel begin 18e eeuw een nieuwe bekroning gekregen (na een brand). De diverse kapellen volgden en in 1547 was de kerk voltooid.
Over die kapellen gesproken: de Prinsenkapel is de belangrijkste, met het albasten grafmonument voor Engelbrecht II van Nassau en zijn vrouw Cimburga van Baden, resp. overleden in 1504 en 1501. Het praalgraf is opgericht in 1530 door Hendrik III van Nassau, uit dankbaarheid voor zijn oom.
Aan de andere kant staat het praalfgraf uit 1475 voor Engelbrecht I van Nassau, met hierop de vrouw afgebeeld waarmee het verhaal van vandaag begint: Johanna van Polanen.
Zij was 11 jaar, dochter van de heer van Breda, Jan van Polanen (hij had de baronie Breda gekocht van de hertog van Brabant), zeer rijk en enig erfgenaam van haar vader. Haar vader zocht voor haar een huwelijkspartner en dat werd de 33 jarige Engelbrecht I van Nassau, een Duitse graaf. Het huwelijk werd in 1403 gesloten en zij gingen wonen op het kasteel van Breda.
Ik kom er langs op mijn wandeling. Het kasteel is sinds 1826 onderdak voor de KMA, de Koninklijke Militaire Academie. Ik zie in het voorbijgaan een vliegtuig en een tank staan. Verder dan de hekken mag ik niet komen, maar ik zie een standbeeld staan van Willem van Oranje.
In de kelder onder het grafmonument liggen Hendrik III van Nassau, zijn zoon René van Chalon, Anna van Buren en haar dochtertje Maria.
Deze familiegeschieden is echt ingewikkeld. Johanna was enig erfgenaam. Zij en haar man kregen zes kinderen, waarvan Jan IV de opvolger werd van zijn vader. Hij kreeg met zijn vrouw Maria van Loon ook zes kinderen, waarvan Engelbrecht II zijn opvolger in Breda was. De andere zoon was Jan V van Nassau-Dillenburg.
Engelbrecht sterft zonder een wettige erfgenaam en hij benoemt zijn oomzegger Hendrik III (zoon van Jan V) tot zijn opvolger. Hij trouwde met een Franse prinses, Claudia van Chalon, prinses van Orange en zij kregen een zoon, Reynaert of René die op het slagveld gewond raakte en kinderloos stierf.
En de titel prins van Orange ging naar zijn neefje in Dillenburg, de zoon van Willem de Rijke, kleinzoon van Jan V.
Snappen we het nog?
Zo ging dat in die tijd. Een titel of bezit moest een eigenaar krijgen.
En al was Orange maar heel klein, de titel prins bracht veel prestige en aanzien met zich mee. De jonge Willem werd daardoor een gezien persoon.
Zijn huwelijk met Anna van Buren is van korte duur. Daarna huwt hij de protestantse Anna van Saksen. Hier komt zijn bijnaam de Zwijger vandaan. Hij veinsde bij Philips II dat zij katholiek zou worden en bij haar familie dat ze protestants zou kunnen blijven. De smiegende werd hij genoemd.
Dat huwelijk is een drama. Ze halen het slechtste in elkaar naar boven. Willem is een graag geziene gast en gastheer, viert feesten en heeft maîtresses. Anna vereenzaamt. Na het Verbond der Edelen (1565) breekt de beeldenstorm uit in 1566. Willem vlucht naar de Dillenburg en zijn bezittingen in de Nederlanden worden verbeurd verklaard. Egmont en Horne, door Willem gewaarschuwd, meenden dat het zo’n vaart niet zou lopen en komen aan hun einde op de Grote Markt van Brussel.
Anna komt in Keulen terecht en wil scheiden van haar man. Haar advocaat, ene Rubens uit Antwerpen (inderdaad de vader van de beroemde schilder Peter Paul Rubens), staat haar bij en ze krijgen een relatie waaruit een kind wordt geboren. Dat is de druppel voor Willem en voor haar familie. Willem wil voorkomen dat buitenstaanders kunnen gaan twijfelen aan het vaderschap van hun drie kinderen, haar familie wil de schande voor de buitenwereld verbergen. Ze sterft door verwaarlozing in haar dichtgemetselde kamers in het paleis van Dresden.
Willem huwt met de protestantse Franse Charlotte de Bourbon, maar hij wordt vogelvrij verklaard. En dat wordt hem noodlottig. De eerste keer nog niet, zijn vrouw verzorgt hem maar put zichzelf ten dode toe uit. De tweede keer wel, en zijn vierde vrouw blijft met een baby achter.
Maurits, zoon van Anna van Saksen, zet alles op alles om het familiekasteel in Breda in handen te krijgen en dat lukt met de list met het turfschip, een list geënt op het beroemde verhaal van het paard van Troje. De 72 soldaten kunnen verborgen onder de turf in het kasteel komen en het overmeesteren. Maurits zette zichzelf hiermee in de schijnwerpers als opvolger van zijn vader.
Hij krijgt bij de verdeling van de erfenis van zijn vader (die 25 jaar duurt) de titel Prins van Oranje.
En over oranje gesproken: in de Grote Kerk is een tentoonstelling van objecten waarmee kleur wordt teruggebracht in het nu lichte witte interieur van de kerk. Glazen blokken en bollen, maar ook glazen fruit en felgekleurde houten vormen. En een megarozenkrans van glas.
80 km gefietst maakt totaal 102 km
6,4 km gewandeld maakt 11,1 km
2 kerken bezocht












