Ik loop het Noordeinde op en zie in de verte tenten staan. En best veel mensen. En inderdaad, het is de wachtrij voor het bezoek aan Paleis Noordeinde.

Natuurlijk ben ik te vroeg, en dus beid ik mijn tijd aan de overkant in de Bookstor (nee, geen typefout). Hier valt mijn oog op een fotoboek van een kunstenaar. 366 dagen lang, 24 uur per dag maakte hij een foto van de zee. Prachtig om te zien, maar 212 euro voor een koffietafelboek? Ik neem genoegen met een pakje kaarten van een aantal foto’s. Ook mooi.

En zoals altijd, gaat de tijd dan toch weer snel. Ik kan aansluiten in de rij en dan mag ik na controle van kaart en ID-bewijs, mijn tas inleveren en het Paleis in.

Wat nu een Paleis wordt genoemd begon het leven als  een middeleeuwse hofstede, maar al in de 14e eeuw is het Noordeinde bekend. Pas in de 16e eeuw wordt het verbouwd tot een vrijstaand huis. Na heel wat keren van de hand te zijn gegaan, komt het in bezit van de Staten van Holland. Die huren het dan al enige tijd om de weduwe van Willem van Oranje en haar jonge zoon onder te brengen: Louise de Colligny en Frederik Hendrik.

Frederik Hendrik krijgt het Paleis, inmiddels Oude Hof geheten, in zijn bezit en sinds die tijd is het in handen van de Oranjes, al was dat via Frederik I van Pruisen, de kleinzoon van Frederik Hendrik.

De Franse Revolutie en de Bataafse Republiek luidden het einde in van het Oranjebezit. Het Paleis werd genationaliseerd.

In de audiotour heet de koning zelf je welkom. Hij vertelt over hoe zijn familie het paleis heeft gebruikt. Zijn overgrootmoeder en grootmoeder zijn in dit paleis geboren. Het was van 1817 tot 1948 de residentie van zijn voorouders, de koningen Willem I, II en III en koningin Wilhelmina. Vanaf 1948 resideerde de koningin in Soestdijk en was dit paleis in gebruik voor diverse kantoorfuncties.

Koningin Beatrix nam het in gebruik als werkpaleis, als kantoor dus, na een grootscheepse restauratie. Ik zie dat de achterkant nu in de steigers staat. Aan zo’n oud pand blijf je werken.

Ik loop de trap op en meteen kom ik in een mooie hal, hoog, vrijwel leeg, met spiegels en een malachieten wandtafel en kandelaars. En heel moderne plexiglazen deuren met daarop een kunstwerk.

In de loop van de eeuwen is er aan het pand zoveel verbouwd en aangebouwd dat de vroegere bewoners het niet meer zouden herkennen. De oorspronkelijke hofstede uit de 16e eeuw werd opgenomen in de aanbouwen waardoor het een H-vormige plattegrond kreeg. Diverse zalen werden heringericht naar de nieuwste mode van die tijd, zalen werden samengetrokken, binnenplaatsjes werden overdekt, er kwam een zandstenen voorgevel die later werd gepleisterd.

Tegelijk krijg je een kijkje in de koninklijke keuken, zoals uitleg over de secretarie, de livreien, het dekken van de tafels bij de diverse bezoeken. In de Balkonkamer sta je even bijna op dezelfde plek als de Koninklijke familie bij Prinsjesdag.

Overal hangen en staan portretten van de Oranjes. Grappig detail is dat de pilaren in de vestibule niet van marmer zijn, maar van gemarmerd hout. En in de marmering boven de deur naar de Indische Zaal is het koningspaar met hun dochters vereeuwigd. Het is wel even zoeken.

De prachtige balzaal maakt indruk. Meer dan 600 elektrische kaarsen branden er. Er is veel verguld brons en de glimmende marmeren muren? Nep! Het is stucwerk dat gepolijst is en gemarmerd.

Achter het Paleis ligt de Paleistuin waar ik later ook doorheen loop. De trappen die vanuit het Paleis daarin uitkomen, zijn de trappen waar foto’s worden gemaakt van de Koning met het kabinet of met sporters. De tuin werd begin 17e eeuw door Frederik Hendrik speciaal ingericht voor zijn moeder Louise de Colligny. Dat vind ik dan ergens een ontroerend detail.

Via de Koninginnetrap was ik naar boven gegaan, nu daal ik de Koningstrap af en dan naar buiten. Het is nog steeds druk bij de ingangscontrole, maar ik mag nu naar de Koninklijke Stallen op een tijdstip dat mij uitkomt. Daar maak ik dankbaar gebruik van en zo zit ik in de schaduw van de Waalse Kerk aan een biertje met een tosti. Mensen kijken en genieten.

Ik loop vervolgens door de Paleistuin naar de Koninklijke Stallen en je kunt de paarden al ruiken als je dichterbij komt.

Het is een gigantisch complex dat in de 19e eeuw is gebouwd in opdracht van Koning Willem III. Er is een binnenmanege, maar ook een grote buitenbak. Er was plek voor 94 paarden, nu zijn er nog 30. Die paarden gaan soms ook naar Het Loo om daar in de weides te kunnen lopen. De paarden van Het Loo komen dan naar hier.

Met filmpjes kom je meer te weten over het Koninklijk Staldepartement. Want het is veel meer dan een stal. Ze zijn hier verantwoordelijk voor het onderhoud van de koetsen en de auto’s en ook voor het vervoer van niet alleen de Koninklijke Familie maar ook andere hooggeplaatste personen.

Onder Koningin Beatrix werd het weer gewoonte dat nieuwe ambassadeurs per koets naar het Paleis komen om hun geloofsbrieven aan te bieden. En zo rijdt toch wel een 20 x per jaar een ambassadeur met gevolg ratelend door de straten van Den Haag.

De Koninklijke Bus staat er, een verlengde Cadillac, de auto van de koningin, de Mercedes cabrio van Juliana, en natuurlijk de koetsen.

De Galaberline (in Berlijn werd dit type koets voor het eerst gebruikt), de Créme Caleche (een cadeautje van Emma aan Wilhelmina toen ze de troon besteeg), de Glazen Koets (volgend jaar 200 jaar oud en door koning Willem I besteld) en natuurlijk de Gouden Koets (cadeau van Amsterdam aan Wilhelmina bij haar troonsbestijging).

De Gouden Koets is nu een museumstuk omdat de Koning besloten heeft deze koets niet meer te gebruiken vanwege de koloniale en slaafse verhoudingen die op de koets zijn afgebeeld.

Koets: het woord is afgeleid van de naam van de Hongaarse plaats Kocs (uitspraak: kootsj). Het dorp lag tussen Wenen en Budapest en werd een pleisterplaats waar paarden uitgespannen en rijtuigen gerepareerd werden. De dorpelingen gingen op enig moment ook lichte rijtuigjes bouwen. De plaatsnaam ging over op de rijtuigen. Koets, Kutsch, Cocchio, Coche, Coach.

En gek genoeg komt ons woord coach voor begeleider daar ook vandaan. In 1861 in Oxford werd een tutor (bijlesleraar) ironisch coach genoemd. Hij hielp iemand op weg, nam hem als het ware mee.

Hier kun je zelf mee op tour.


Plaats een reactie