Is scheepsrecht, toch?
Dat geldt deze week zonder meer voor mij. Voor de derde dag op rij zit ik bij een orgelconcert. Dinsdag Nijmegen, woensdag Amsterdam en vandaag in Haarlem. Zo kom je nog eens ergens.

Nijmegen (dinsdag)

In de tuin van de voormalige Commanderie van Sint Jan zit ik achter een biertje met de passende naam Mariken. Ik ben in Nijmegen en dan kun je eigenlijk niet anders, toch?
Ik zit in een zeer oud gedeelte van Nijmegen dat het bombardement van 1944 redelijk heeft doorstaan. De Commanderie stamt uit 1196 en ligt vrij hoog op een soort heuvel. Het werd als ziekenhuis in gebruik genomen maar in 1214 kwam het in handen van de ridders van de Johanniter Orde, een adellijke kloosterorde, die er een klooster in vestigden en het aan hun heilige wijdden, Sint Jan.

Ik maak nog een korte wandeling en loop uiteraard langs Mariken en Moenen. Ik weet nog dat we het op school behandelden bij Nederlands. Ik vond er toen niet veel aan, weet ik nog wel. Nu vind ik het toch wel interessant. Een mirakelspel was het, religieus theater.

Even kort het verhaal: Mariken woont in Nijmegen bij haar oom, priester Gijsbrecht. Als ze naar de markt moet, gaat ze overnachten bij haar tante die kort daarvoor ruzie had met een paar vrouwen over de arrestatie van hertog Arnold van Gelre door zijn zoon Adolf. Mariken krijgt de volle laag van haar boze tante en wordt diep beledigd. Mariken gaat naar huis terwijl ze om hulp bidt. ‘Comt nv tot mi ende helpt mi beclaghen, God of die duvel, tes mi alleleens.’
En de duivel komt haar te hulp. Als ze maar belooft haar naam te wijzigen (die lijkt te veel op de heilige Maria) en ze mag geen kruisjes meer slaan. En moet uiteraard zwarte magie leren.
Zeven jaar leeft ze met de duivel, die zichzelf Moenen noemt, in Antwerpen. Maar na die zeven jaar keert ze terug naar Nijmegen. Als ze op de Markt een toneelspel ziet waarin vergeving het onderwerp is, krijgt ze berouw en wil ze vergiffenis vragen.
De duivel probeert haar te vermoorden, maar dat mislukt en Mariken reist met haar oom naar Rome om aan de paus absolutie te vragen. Ze krijgt drie ijzeren ringen om haar hals en armen als straf en als die afvallen is ze vergeven. Ze leeft de rest van haar leven in Maastricht en twee jaar nadat de ringen afvallen overlijdt ze.

Heel bijzonder om van deze vrouw een beeldje op de Markt te zien staan. De duivel is ook vereeuwigd, op de trap naar de Stevenskerk. Ook kom ik duiveltjes tegen op een paaltje.

Op het binnenplein bij de kerk worden de gebroeders van Lymborch geëerd met een fotopresentatie van de kalenderbladen uit Les Tres Riches Heures. Paul, Johan en Herman (geboren in Nijmegen tussen 1385 en 1388) maakten miniaturen voor dit boek in het begin van de 15e eeuw in opdracht van Jean du Berry, broer van Filips de Stoute.

Ik loop naar de Stevenskerk en bedenk me dat de broers van Lymborgh de Commanderie moeten hebben gekend, maar ook de Stevenskerk. Uiteraard niet zoals de kerk er nu uitziet, maar toch deze zelfde kerk. De kerk werd nl. in 1272 ingewijd, een eeuw voor de broers werden geboren en twee eeuwen voor het verhaal van Mariken.

Ik kom voor een orgelconcert en uiteraard is het orgel niet uit die tijd. Het Königorgel stamt uit 1776. Tijdens het bombardement van 1944 werd het zwaar beschadigd, maar restauratie was wel mogelijk. Gelukkig, want dit orgel heeft een prachtige klank en het gebouw werkt door de weerkaatsing mee aan de beleving.
Matthias Havinga speelt en het is hetzelfde programma als in de Lebuïnuskerk waar ik onlangs was. En toch is het anders en net zo mooi.

Amsterdam (woensdag)

Ik loop vanaf station Amstel de stad verder in. Op deze manier kijk je echt heel anders naar de stad. Het is prachtig zomerweer, het water blinkt, veel bootjes varen met borrelende mensen aan boord, terrasjes zitten vol. En ik ga ook maar een terrasje pakken, bij de Ysbreker. Een mooie opmaat naar het concert van deze avond.

Langs de Amstel loop ik verder naar de Magere Brug, met het grote sluizencomplex er vlak voor. In de verte de moderne Stopera. Langs de grachten slenter ik richting de Mozes en Aäronkerk, waar ik een week geleden ook al was.

Bij het namenmonument neem ik even de tijd om dit in me op te nemen.
Daniel Libeskind is de architect van dit monument en hij heeft met zijn kenmerkende stijl duidelijk een stempel op dit monument gedrukt.
72 betonnen muurdelen zijn bekleed met rode bakstenen waarop de namen, geboortedata en leeftijden van de Holocaustslachtoffers zijn vermeld.
Op de grond lijkt het of de muren lukraak zijn neergezet, met scherpe hoeken en onverwachtse openingen.
Maar van bovenaf gezien zijn het vier Hebreeuwse letters לזכר, die In Memoriam betekenen. Bovenop lijken spiegelende objecten te zweven die hetzelfde patroon volgen.
Ik blijf even zitten op een bankje, in relatieve stilte naast de drukke weg.

Tijd om naar het orgelconcert te gaan. Thomas Ospital uit Parijs concerteert op het Adema-orgel van de Mozes en Aäronkerk en hij begint met vuurwerk, tenminste zo komt het stuk van Guilmant op mij over. Volgen nog Frank, een improvisatie en Duruflé.

Haarlem (donderdag)

Het miezert als ik het station uitloop. Paraplu op en lopen maar. De temperatuur is hoog, dus jas is niet nodig. Ik ben onderweg naar de Bavo voor, jawel, een orgelconcert. De vieringtoren van de Bavo is gehuld in nevelen, zo vochtig is het nu. Ik maak een stadswandeling, langs een paar van de 20 hofjes waarop Haarlem zich kan beroemen.
De rijkdom van de stichters spat er tot op de dag van vandaag vanaf. Het Hofje van Staats beschikt over een hoofdgebouw waar je U tegen zegt. Pieter Teyler van der Hulst liet geld genoeg na om niet alleen een museum te stichten (1784) maar ook een hofje (1787).

Bij de Bavo staat de Vleeshal, in 1604 in gebruik genomen. Het heeft gebeeldhouwde koeienkoppen aan de gevel en is een prachtig voorbeeld van noordelijke renaissance maar op een gotische basis. Architect was Lieven de Key, een immigrant uit de Zuidelijke Nederlanden nadat de hertog van Parma in 1584 dit gebied heroverde voor Spanje.

Nog zo’n immigrant is Frans Hals, de schilder die met Haarlem in één adem wordt genoemd. Het aan hem gewijde museum staat aan het Groot Heiligland. Deze straat heet zo omdat hier kloosters stonden.

Ik loop terug naar de Markt want het beiaardconcert begint om 19 uur en daar wil ik ook nog even naar luisteren en hoe kun je dat beter doen dan met een hapje en een drankje op het terras.
Ik zit vlakbij het grote oude stadhuis van Haarlem, gebouwd op locatie van het jachtslot van de graven van Holland en het Domicanenklooster dat Floris V in 1296 stichtte.
Het jachtslot is door brand verwoest waarna in 1370 een stadhuis werd gebouwd met Zaalgebouw en Gravenzaal. De kloostergebouwen werden na de Reformatie in het stadhuis geïntegreerd. Lieven de Key bouwde nog een Renaissance-vleugel, en in de eeuwen die volgden nog meer aanbouwen en verbouwingen. Bijzonder is wel dat het nog steeds in gebruik is als stadhuis, ruim 650 jaar lang al. En dan te bedenken dat de voorloper er ook nog steeds staat, nu de Hoofdwacht geheten, maar tussen 1250 en 1350 in gebruik als stadhuis. Ondanks vele verbouwingen is het pand nog steeds deels 13e eeuws.

Ik zie dat het druk wordt bij de ingang van de kerk en loop er maar eens heen. Als ik binnenkom, schrik ik bijna. Het is al heel erg druk en ik zoek met heel wat moeite een mooi plekje, maar het lukt.
De kerk zit uiteindelijk afgeladen vol voor het concert van Olivier Latry, organist van de Notre Dame in Parijs. Het programma (met pauze) bevat muziek van Brahms, Bach en Dupré. Je zou denken dat ik Bach saai vind, want ik val weer in slaap, maar niets is minder waar. Na de prachtige prélude en fuga van Dupré vang ik de lange reis op huis aan.


Plaats een reactie