Meer hink hink hink stap stap en dan een heel grote sprong.

Ik loop het museum uit, eet m’n broodje verder op, kijk op de klok en denk: oeps. Nog maar een goeie 20 kilometer gefietst en het is over half vier. Ik moet er nog ruim 30.

Maar dat is geen wonder, als ik terugkijk op mijn dag. Ik ging van het één naar het ander, van de hak op de tak, zeg maar. Maar… er zat een plan achter. Tenminste…

Wat wilde ik gaan doen vandaag? Wel, kasteel Doorwerth bezoeken. Jaren geleden toen een deel van het kasteel klaar was na restauratie/herbouw, ergens in de jaren ’80, ben ik er met mijn ouders geweest. En een paar jaar geleden op het voorterrein, maar geen bezoek gebracht.
Vandaag wilde ik het kasteel en de drie musea die het huisvest bezoeken. Met de fiets op de trein vanaf Tiel naar Anherm. (Op zaterdag mag de fiets gratis mee.) Als ik Arnhem aan de koffie zit scroll ik door mijn route naar Doorwerth en ik zie dat ik langs Museum Arnhem kom.

Ik heb een museumkaart, het museum gaat over 10 minuten open. Inkoppertje. Het museum richt zich op moderne kunst en vormgeving en het heeft een mooi beeldenpark. Door de lokatie, hoog boven de Rijn, wordt je in de tuin getracteerd op prachtige vergezichten. De beeldentuin is bijzonder en ik word bij sommige beelden uit mijn comfortzone gehaald. (Ik weet dat niet iedereen alles mooi zal vinden, maar toch, met zo’n museumkaart zie ik soms dingen die me aan het denken zetten of me verrassen. Alleen daarom al is die kaart me dierbaar.)

In de tuin staat een ‘zwaan’ van Klaas Gubbels. Of is het een koffiekan? Klaas Gubbels wordt dit jaar 90 en woont en werkt al 65 jaar in Arnhem. Het museum heeft werk van hem in de collectie en heeft nu een tentoonstelling aan hem gewijd. Ik vind zijn werk mooi (en heel herkenbaar). Deze eigenzinnige kunstenaar heeft ook gevoel voor humor. Ik schiet in de lach in de voorzaal. Links staat een levensgrote kan van cortenstaal met drie tuiten. Het is de alleskan.

Op naar Doorwerth. Of nee, toch nog niet.
De heuvelende weg voert me langs Oosterbeek en ik weet dat ik dus ook langs de Oude Kerk van Oosterbeek kom.
Deze 1000 jaar oude kerk is één van de oudste van Nederland en er zijn in de kerk nog delen bewaard uit de Karolingische tijd (8e tot 10e eeuw). Het kerkje is niet open, maar ik loop er omheen. Aan de achterzijde heb ik zicht op de Rijn.
In de Tweede Wereldoorlog, tijdens de slag om Arnhem, werd er bij de kerk zwaar gevochten.

De brug over de Nederrijn (nu John Frostbrug en de brug die een brug te ver zou worden) kon maar niet worden veroverd op de Duitsers. De Britten trokken zich na zware verliezen terug op Oosterbeek. Zo’n 3000 militairen verzamelden zich in de omgeving van de kerk en gedurende acht dagen vonden hier zware gevechten plaats. De kerk was het verzamelpunt voor de militairen voor de terugtrekking over de Rijn naar de Betuwe.
De kerk werd deels verwoest.
Meteen na de oorlog werd de kerk in oorspronkelijke bouwvorm hersteld, waarbij 16e en 19e eeuwse toevoegingen werden weggelaten.
Bij het monument en de grote lindeboom (die de oorlog heeft overleefd) zie ik de klaproos, de poppie, het symbool van herdenking in Groot-Brittannië.

Ik schamp langs Heveadorp, een dorp gebouwd voor de werknemers van de rubberfabriek die hier in de omgeving stond. (Hevea is de Latijnse naam voor de rubberboom.)
Rechts is nog steeds de hoge rand van de stuwwal te zien. Bovenop, weet ik, is de Hunnenschans of de Duno. Deze ringwalburg is waarschijnlijk eind 10e eeuw aangelegd.
Maar ik ga nu toch echt naar kasteel Doorwerth. Via de prachtige Fonteinlaan met zicht op het stuw bij Driel, kom ik bij het kasteel.

Net als de kerk van Oosterbeek had het kasteel te lijden van de oorlogshandelingen, maar is het in volle glorie hersteld.
De naam komt van waard, riviereiland en doornstruik. De oudste versie is Doorenwert.
In 1260 wordt het toenmalige kasteel na een belegering in brand gestoken. Het wordt herbouwd door Berend van Dorenweerd of zijn zoon en rond 1280 is het een waterburcht.
Het komt in de 15e eeuw in de handen van Reinald van Homoet (nu een gehucht aan de zuidkant van de Rijn, toen een hoge heerlijkheid). Hij breidt het kasteel uit, maar hij en alle volgende eigenaren verblijven er zelden. Waarschijnlijk de reden dat het nog zeer middeleeuws aandoet.
Het heeft zowaar 1672 overleefd, omdat de toenmalige eigenaar geparenteerd was aan de koning van Denemarken, bondgenoot van de Franse koning.

In de 19e eeuw komt het kasteel in bezit van baron van Brakell. HIj herstelt het kasteel en gaat er wonen. In de tentoonstelling is nog een kapotgeschoten torenvaan te zien met het wapen van de baron. Hij was ook heer van Wadenoijen en inderdaad zie ik hier twee zalmen, vergelijkbaar met die op de kerk van Wadenoijen.

Ik wandel door het kasteel. Het kasteel zelf is museum, maar huisvest nog drie musea. Het Nederlands Jachtmuseum, de Nationale Bosbouwcollectie en het Museum Veluwezoom. Interessant, omdat de presentatie met de route in het kasteel meeloopt.
Op het terras van Theehuis De Zalmen geniet ik van lekkers en het uitzicht.
Heel bijzonder is dat op het voorplein een enorme robinia staat (ook pseudo-acacia genoemd), de oudste boom van Nederland.
Er stonden er ooit drie, maar alleen dit exemplaar heeft de oorlog overleefd. De boom heeft een stamomtrek van zeven meter en is heel oud. De boom en z’n takken worden op diverse plekken ondersteund.
Wanneer de boom is geplant is onderwerp van discussie. 1579, of toch vlak nadat Pierre Robin de boom in 1601 had meegenomen uit het oosten van Noord-Amerika. Weer anderen zeggen dat de robinia is geplant als aandenken aan de vrede van Nijmegen in 1678.

Hoe dan ook, ik ga weer verder. Maar eerst toch nog even de in de 17e eeuw aangelegde moestuin doorwandelen. In de tuin staan ook prachtige rozen, die heerlijk geuren.

Verder dan. Ik besluit naar het kerkje op de heuvel te rijden, in Heelsum. Daar ligt Baron van Brakell begraven. Ik loop naar boven en om de kerk heen. Tot mijn verrassing is de kerk open en ik bewonder de schitterende nieuwe ramen. De kerk zelf is in de 16e eeuw gebouwd door de toenmalige heer van Doorwerth.

Ik wil naar de andere zijde van de Nederrijn, maar de brug over naar Heteren is een eind terug. Ik kijk even of de veerpont Renkum Heteren vaart. Jawel, net als gisteren bij Rhenen, is ook hier (net als op diverse andere plekken in Rivierenland) de oude veerverbinding hersteld tijdens het seizoen voor fietsers en voetgangers.

Aan de overkant stuit ik op steenfabriek Zilverschoon en daarnaast het Gelders Smalspoormuseum.
Ik betaal en kijkt verrast om me heen. In een oude stenendroogschuur staan diverse diesellocomotieven opgesteld. Ze hebben dienst gedaan bij steenbakkerijen, in de turfwinning, in de mijnbouw. Sommigen zijn niet meer dan een stapel roestige onderdelen, anderen zijn in betere staat van onderhoud.
Het blijkt dat ik ook nog meekan met een ritje over het terrein en dat is wel zo leuk.
De jonge knapen die het geheel bedienen zijn uiterst serieus. Er is een heus peronnetje, de locomotief moet van plaats wisselen en begeleid door fluitsignalen en claxon worden de wissels omgezet en de locomotief voor de wagonnetjes geplaatst. We rijden met een grote bocht over het terrein en komen aan de Rijnzijde uit met een prachtig uitzicht. Ook hier weer de wissel van de locomotief en dan weer terug.

Onderweg naar huis fiets ik tot aan Opheusden langs de Rijndijk en ik geniet van het uitzicht, het mooie weer, de wind in mijn rug.


Plaats een reactie