Ieniminie is het.
Ik loop tussen twee akkers door als ik het voor me uit op de grond zie scharrelen.
Ik buk en kijk. Het is een muisje, piepklein. Het schrikt niet van me, hoewel het mijn voetstappen toch zal hebben gevoeld en gehoord. Het scharrelt over het pad, gaat links, gaat rechts, verbergt zich onder een graspol, maar blijft rustig. Ik kan het zelfs even aaien.
Ik ga weer verder en laat het muisje doen wat muizen zoal doen.
Ik ben aan de wandel rondom Rhenen. Vanmorgen met trein en bus naar Rhenen gegaan en vanaf het station begin ik de wandeling over de slaperdijk langs de Lek. Rechts boven me is Rhenen te zien, en de Cuneratoren torent letterlijk overal bovenuit. Ik maak natuurlijk weer een paar foto’s en bevind me daarmee in goed gezelschap, zoals ik in het museum zal zien.
Tegenover de kerk staat het oude Raadhuis en daar is het Stadsmuseum Rhenen gevestigd. Momenteel is hier een bijzondere tentoonstelling met vondsten die in en om Rhenen zijn gedaan. Deze vondsten zijn vanwege het internationale belang in beheer bij het RMO in Leiden, maar in 2024 zijn ze even terug.
Ik begin eerst maar eens met koffie met overheerlijk appelgebak, onder toeziend oog van de engeltjes op de plafondschildering. En dan ga ik het museum door, op zoek naar de Gouden Vrouwen uit de Frankische tijd.
Waar gaat het om?
In de vroege middeleeuwen was de zuidkant van de Utrechtse Heuvelrug, zo tussen de Grebbeberg en Leersum, bewoond gebied. Het was er blijkbaar goed toeven, water voor transport en drinkwater, de heuvels waren strategisch aan te wenden, tussen heuvels en rivier liep een behoorlijke begaanbare weg, en er was vruchtbare grond voor de verbouw van gewassen.
De Franken kwamen in de vierde en vijfde eeuw vanuit wat nu Rijnland is naar deze omgeving. Namens de Romeinen, wiens rijk aan het verlopen was, bewaakten ze de noordgrens die de Rijn nog steeds vormde. Ze bouwden hier een leven op, in relatieve rust en luxe.
Én ze werden hier begraven.
In de bossen van de Utrechtse Heuvelrug zijn de grafheuvels van die tijd nauwelijks zichtbaar. Nog minder zichtbaar zijn de grafvelden. Maar van tijd tot tijd komt er iets naar boven. Twee urnen in een achtertuin, een zwaard, een goudschat in een akker. En de grootste vondst: in 1950/1951 een grafveld met wel 1100 bijzettingen.
Vooral wat er bij de stoffelijke resten gevonden werd, wekte alom verbazing.
Gouden sieraden, kettingen met halfedelstenen, barnsteen en glaskralen, bergkristallen hangers, ringen, oorhangers, gouden munten, zelfs glaswerk.
En ook vandaag kun je met open mond staan kijken naar de schoonheid van de gevonden voorwerpen die eeuwen in de grond verborgen waren.
De tentoonstelling heet Gouden vrouwen omdat veel van de gevonden voorwerpen van vrouwen zijn. Vrouwen hadden in deze vroegmiddeleeuwse samenleving een belangrijke rol. Ze regelden het huishouden, en dat betekende dat ze toegang hadden tot de voorraden, ook de voedselvoorraden, getuige de sleutels die als grafgift werden gegeven. Het voortbestaan van de gemeenschap hing net zo goed van de vrouwen af als van de mannen.
Opvallend is de luxe die uit de sieraden valt op te maken. Er is zoveel gevonden dat niet iedereen die deze voorwerpen als grafgiften meekreeg, een vooraanstaand persoon kan zijn geweest. Ook de gewone man en vrouw kon blijkbaar beschikken over een bepaalde mate van rijkdom en luxe.
Werpt toch wel even een heel andere blik op de donkere Middeleeuwen!
Ook bijzonder is de herkomst van de voorwerpen. Glasblazen was een kunst die met de Romeinen was meegekomen, maar de Franken verfijnden de techniek, maar er is ook Egyptisch glas aangetroffen.
Bergkristal uit Midden-Europa, barnsteen uit het Oostzeegebied, Romeins glasmozaïek werd omgemolten tot glaskralen, mantelspelden werden ingelegd met de halfedelsteen almandijn (afkomstig uit India en Pakistan).
Voor hun diensten werden de Franken door de Romeinen betaald in gouden munten, maar daar konden ze niets mee. In de tentoonstelling zie ik drie halssieraden, gemaakt van omgesmolten gouden munten.
Van de vele, vele vrouwen die in het grafveld begraven liggen zijn de namen onbekend. Hun resten en hun sieraden zijn de enige getuigen van het feit dat ze hebben bestaan. Des te opmerkelijker is het dat van één vrouw uit die tijd wél de naam bekend is: Cunera, terwijl onzeker is of ze wel echt heeft bestaan. Hoe dan ook: er ligt hier iets heel bijzonders. Een schedelreliek met daarop de aanduiding Cunera. Tijdelijk even terug vanuit Utrecht.
Na de tentoonstelling ga ik verder wandelen, richting de Donderberg, waar dat grote grafveld werd gevonden en dan over de Heuvelrug langs Achterberg naar de Laarsenberg terug naar het station. Het weer is geweldig. Volop zon, wel fris, maar met aanvankelijk weinig wind is het heerlijk wandelen. Ik wandel door een omgeving die de Franken niet meer zouden herkennen.
Maar misschien sommige dingen toch weer wel: de bomen, de bloemen, de vogels. En natuurlijk het muisje.










