In Mechelen waar ik twee weken geleden was, liep ik haar tegen het lijf, figuurlijk gezien dan: Elizabeth van Culemborg. Haar beide echtgenoten, Jan van Luxemburg-Ville en Antoon van Lalaing, waren vliesridders. In de tentoonstelling over het Gulden Vlies hangt daar een bruikleen uit Culemborg: een schilderij waarop Elisabeth afgebeeld staat tussen haar beide echtgenoten.
De dag begint wat bewolkt als ik naar het station loop. Ik reis naar Beesd, waar ik het Betuwepad weer oppak. Bij Mariënwaerdt loop ik over rustige paden richting Culemborg. De etappe is kort, ca acht kilometer, maar omdat ik doorloop naar Culemborg wordt het toch nog zo’n 14 kilometer.
Het wordt zonniger en zelfs warm. Het waait hard en ik geniet. De meidoorns bloeien al voorzichtig, de prunussen verliezen hun laatste bloesem in de wind. De bermen staan vol: geel koolzaad dat bijna licht geeft, het witte kant van het fluitekruid, de smeerwortels in wit, lila, blauw en paars, paars kruipend zenegroen dat letterlijk in bomen kruipt. judaspenning en pinksterbloem, paardebloem en boterbloem, madeliefjes en ooievaarsbek: het kan niet op vandaag.
Ik loop over de Machinedreef, die het leven begon als Geerdijk. Een laag dijkje om de Herigerwaard (nu onderdeel van Mariënwaerdt) te beschermen tegen het water. Aan het begin van de dijk stond in vroeger tijden een molen, die in de vroege 20e eeuw een dieselmotor, een machine, kreeg, vandaar de huidige naam. De Bijlandtsdreef volgt, vernoemd naar de familie Van Bylandt die Heerlijkheid Mariënwaerdt in 1734 kocht. (En ja, het Bijlandsche Kanaal bij Pannerden heet naar de Bijlandse Waard daar vlakbij, net als de familie Van Bylandt). Je spreekt het trouwens uit als Bieland.
Ik verlaat landgoed Mariënwaerdt en kom bij de Bisschopsgraaf. Rond 1100 is er al sprake van een Bisschopsgraaf, en deze vaart was onderdeel van de vaarroute tussen Culemborg en Zaltbommel. Begin 17e eeuw besluiten de stadsbesturen van Culemborg en Zaltbommel dat er een vaarroute moet komen voor snel verkeer van goederen tussen deze steden. Er kon op stukken gezeild worden, maar het meeste verkeer ging via trekschuiten.
Bij de Leidsche Hoeven stop ik voor een lichte lunch. De naam van dit zorglandgoed heeft niets met de stad Leiden te maken. Hoeve betekent niet boerderij, maar is een maatvoering. Een hoeve was een stuk grond waarvan een boer met zijn gezin kon leven. Op oude kaarten staat het gebied aangegeven als Litse Hoeve, maar later was dat Leidsche geworden. Litse kan komen van de geslachtsnaam Van Lith, die in de Betuwe voorkomt, maar het kan ook een verbastering zijn van lutste hoeve, dialect voor laatste hoeve (vanaf Tricht gezien).
Ik loop door dit rustige gebied, waar nog steeds het afpalingsrecht rondom eendenkooien geldt. Er liggen er hier zeven, en twee ervan passeer ik, tenminste er is veel groen, veel struikgewas en wat bomen en daar binnenin liggen de eendenkooien. Het afpalingsrecht geeft aan dat je niet verder dan een bepaalde afstand mag naderen, in dit geval 753 meter gemeten vanuit het hart van de kooi. Bij de Bisschopskooi staan borden met daarop dit afpalingsrecht.
De kooi dankt inderdaad zijn naam aan de Bisschopsgraaf die vlakbij loopt (en deze dankt zijn naam weer aan de Bisschop van Utrecht, wiens grondgebied het was).
Een kooi is een manier van waterwild vangen en dateert zeker al uit de middeleeuwen, ontstaan waarschijnlijk uit een systeem met fuiken die net boven water waren opgesteld. Er is binnen Nederland van circa 3000 kooien de (voormalige) lokatie bekend. Op een kaart is een kooi, zelfs een in onbruik geraakte, goed te herkennen aan de rechthoekige waterplas met langgerekte kromme toevoerslootjes, de vangpijpen.
De gevangen eenden werden verkocht in de grote steden. Gebraden eend werd door de gegoede burgerij zeer gewaardeerd. En in de relatief arme kleigebieden van Betuwe en het Land van Maas en Waal was de bijverdienste niet onbelangrijk.
Bij de Zeedijk eindigt de etappe en loop ik langs de spoorbaan naar Culemborg toe. Deze Zeedijk heeft trouwens niets met de zee te maken.
Maar waar komt die naam van vandaan? Daar zijn twee verklaringen voor.
Het is een zijdijk, en dat woordje zij is in het dialect van de streek verbasterd tot zee.
De meest plausibele verklaring is dat het oorspronkelijk om een zeegdijk gaat. Naast de Zeedijk ligt de Nieuwe Graaf, een gegraven afwateringskanaal, die in de Betuwe een zeeg wordt genoemd.
Langs de spoorbaan is het heerlijk wandelen en via het stationsgebied kom ik in de binnenstad.
Er is veel moois te zien maar ik loop direct naar het Elizabeth Weeshuis. Vandaag de dag is het gebouw volledig in modern gebruik. De Bibliotheek en de Volksuniversiteit hebben onderdak in de jongensvleugel en de voormalige kapel, in de voormalige boerderij zit brazzerie ‘Wees is anders’ en de meisjesvleugel is het museum.
Elizabeth, wie was zij?
Elizabeth van Culemborg was van illustere afkomst. Haar grootvader via moederskant was Anton Grootbastaard van Bourgondië. Hij was een onwettige zoon van Filips de Goede. Haar vader was Jasper van Culemborg die ook heer van Hoogstraten (nu België) was. Daar werd ze in 1475 geboren.
Ze was de oudste dochter van Jasper en zijn erfgenaam in volle rechten omdat hij geen volwassen zonen had.
Elizabeth verkeerde in hoge kringen, zo was ze hofdame van zowel Margaretha van Oostenrijk (dochter van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk) als van Johanna van Castilië (later de echtgenote van Filips de Schone en de moeder van de latere keizer Karel V, beter bekend als Johanna de Waanzinnige).
Elizabeth trouwde in 1501 met Jan van Luxemburg-Ville die in 1508 overleed.
Een jaar later, in 1509, trouwde ze met Antoon I van Lalaing. Het echtpaar ontfermde zich een tijdje over de onechte dochter van Karel V, de ons zo bekende Margaretha van Parma.
Elizabeth hield van kunst en architectuur en zij ondersteunde het bouwen van huizen voor ouderen en geesteszieken. Ze was een toegewijd katholiek en fel tegenstander van de protestanten en de Reformatie. Ze bemoeide zich met het verbieden van “ketterse” boeken, zoals de boeken van Erasmus en stond het toe dat de Orde van Jezuïeten zich in Culemborg kon vestigen.
In 1540 stierf Antoon en Elizabeth bleef alleen achter. In beide huwelijken had ze geen kinderen mogen ontvangen.
Elizabeth was toen ca 65 jaar en besloot haar eigen testament op te stellen. Zo kwam Culemborg in handen van haar neef Floris van Pallandt (kleinzoon van één van haar zussen). Maar zelf bleef ze het vruchtgebruik van Culemborg houden tot aan haar dood. Net voor haar overlijden verheft Karel V Culemborg tot graafschap.
Elizabeth bepaalt in haar testament dat haar nalatenschap besteed moest worden aan de ‘regte armen’ (regt is echt). Na haar overlijden in 1555 besluiten de executeurs-testamentair tot het bouwen van een weeshuis.
Het fundatiedocument ligt in een vitrine ter bezichtiging. In wel 68 artikelen wordt alles voor de wezen beschreven. Er was plek voor 24 knegtkens en 24 maagdekens. Jongens en meisjes werden streng gescheiden gehouden. In de meisjesvleugel waren er geen ramen naar de binnenplaats en bij de mis keken de jongens toe van achter een hek.
Het weeshuis beschikte over een eigen boerderij en de tuin voorzag in groente en fruit voor de keuken.
Ik dwaal door de meisjesvleugel. Er is van alles te zien: een oude keuken, een prachtige kelder met gewelven, een tegelvloer uit de 17e eeuw, kasten uit de 16 eeuw, waaronder nog de originele linnenkasten voor de wezen, bedjes op de slaapzolder, de heringerichte kamers van de binnenvader en de binnenmoeder.
Ik loop door de tuin en heb prachtig zicht op het mooie gebouw (het eerste speciaal voor wezen gebouwde huis in wat nu Nederland is).
In de tuin kijk ik ook even bij de stadsmuur uit de 14e eeuw. Ik probeer me voor te stellen dat Elizabeth, die haar laatste jaren in Culemborg sleet, ook langs deze muur moet zijn gelopen (toen al meer dan 200 jaar oud).
Op het voorplein kijk ik nog even naar haar standbeeldje, en naar de muurankers in de kapel. Ze spellen 1557, dus twee jaar na haar dood.
Het weeshuis bleef in functie tot 1952, bijna vier eeuwen.
Elizabeth heeft tijdens haar leven en na haar dood veel invloed gehad op het stadje dat haar erfdeel was.















