In de Goldener Schwann zak ik in de stoel om er even niet meer uit te komen. Een schnitzel, een biertje, een toetje en een espresso later ga ik op pad naar de Basiliek.
De weersvoorspelling voor vandaag gaf 90% kans op regen. En het klopte, ik heb inderdaad regen gehad, een paar keer zelfs.
Dus ging ik vanmorgen bewapend met plu, regenjas en regenbroek op pad. Schoenen meerdere malen ingespoten met waterafstotende spray, droge kleding in plastic tasjes in de rugzak.
En bij station Venray, dat in het dorpje Oostrum ligt, begin het te spetteren. Niet hard en met plu ging het prima.
Ik ben onderweg naar Kevelaer waar vanavond een orgelconcert plaatsvindt in de Mariabasiliek. Ik heb al een paar maanden geen auto meer en probeer veel met openbaar vervoer te reizen. En dat lukt best. Via via regel ik een lift terug en van de heenreis maak ik een dagje uit.
In Oostrum kom ik bij een groot kerkgebouw (de Onze-Lieve-Vrouw Geboortekerk) dat samengesteld is uit de oude eenbeukige kapel uit 1400 en een nieuwe kruisbasiliek uit de jaren 1930. Het koor van de oude kapel is nu een zijkapel. In die kapel wordt Maria vereerd. Een heel klein beeldje staat hoog op het altaar. Het zou rond 1350 gevonden zijn door een boer die beloofde een kapel te bouwen als zijn vlasoogst goed zou zijn. Die was goed en zo gezegd zo gedaan. Oostrum werd zo een bedevaartsoord compleet met Mariaprocessie. Vandaar de enorme kerk.
Op weg naar Wanssum zie ik al snel weer een kerktoren. Het blijkt het voormalig klooster Sint Paschalis te zijn. Er naast liggen diverse psychiatrische inrichtingen, voortgekomen uit dit klooster.
De zon schijnt inmiddels volop en het wordt zelfs warm, zeker met de wind in de rug.
Bij de bakker in Wanssum (Verdeuzeldonk, heerlijk toch, zo’n naam, kan zo uit Harry Potter komen), zit ik op het terras, naast een wegkapelletje, aan de Limburgse vlaai. Met abrikozenjam. En lekker! Ik snap wel dat de Limburgers hier trots op zijn.
In Wanssem ligt een nieuwe brug over de Grote Molenbeek die via de Industriehaven uitmondt in de Maas. Ik pak de drijvende brug ernaast en hier staat een hagelkruis. Uit 1900, in de Tweede wereldoorlog verwoest en daarna hier herplaatst. Oorspronkelijk werd zo’n hagelkruis geplaatst om boze geesten te weren en de gewassen tegen hagel te beschermen.
Ik loop richting de Maas en via een enorme brug steek ik diverse strangen over en dan de Maas. Het schip de Colibri vaart net onder me door. Achter me wordt het grijzer en donkerder en voor me verschijnt een vage lage regenboog. Regen dus, plu uit de tas en het beste hopen.
Ik ben bij Well, en dat betekent wal. Hier maakt de Maas een bocht naar het Westen, waardoor hier relatief makkelijk aangelegd en overgezet kon worden. Ik zie een bordje Kevelaer staan! Yeah, op de goede weg.
Op een verhoging aan de Maas ligt een begraafplaats met daarnaast een kleine moderne kapel gewijd aan Sint Vitus. In 974 is er al sprake van een kapel op deze plek. De kapel overleefde de Tweede wereldoorlog niet en nu staat er dit kleine gebouwtje, prachtig versierd met houtskooltekeningen die het leven van Sint Vitus uitbeelden.
Langs de prachtige oude huizen ga ik naar de nieuwe Sint Vituskerk, op de plek van een aantal voorgangers. Dit kleine dorpje had dus ooit twee kerken gewijd aan deze heilige.
En dan sta ik voor het werkelijk schitterende kasteel Well, gebouwd in de 14e eeuw als waterburcht. Dikke muren, ronde massieve torens, een tiendschuur, grachten. De zon komt weer door en zet alles in een fel licht. Een eekhoorntje rent over het pad en schiet een boom in, een bonte specht vliegt geelgroen van boom tot boom en verdwijnt in de kruin.
Ik ga nu de bewoonde wereld een beetje verlaten. De weg gaat door Nationaal Park de Maasduinen. Deze weg loop ik uit tot de grens met Duitsland. Hier ligt de Wellsche Hut waar ik een welverdiende pauze pak. Het is licht gaan regenen en een schuilplaats is even heel fijn.
Met plu, trui en regenjas vervolg ik de weg, Duitsland in. De lucht is ontzettend donker, maar Buienradar geeft aan dat ik net ten noorden van een fikse buienlijn zit. De regen houdt inderdaad op en ik loop door het landelijke gebied ten westen en noorden van Kevelaer.
In Wemb staat aan de kant van de weg een mozaïek van de Heilige Christoforus, de Christusdrager, met het kind Jezus op zijn arm. En dan sta ik voor de 19e eeuwse Heilig Kruiskerk, helaas niet open.
Kevelaer is niet ver meer, nog een klein eindje door de bossen. Het wordt drukker en dan sta ik voor de Mariabasiliek, de Gnadenkapelle en de Kerzenkapelle.
De Basiliek (een uitbundig versierde neogotische kerk) is het doel van mijn bedevaart, nl. een concert voor de ingebruikneming van het verbouwde orgel.
Ik zit vooraan, vlakbij de nieuwe speeltafel en kijk de organist op zijn vingers. Hij brengt een ode aan Maria met drie zettingen en een improvisatie van het Ave Maris Stella: gegroet Sterre der Zee.
Zo klein als het beeldje in Oostrum is, zo groots is dit orgelmonument. Het orgel heeft veel kracht (het is het grootste Duits-romantische orgel) en dat krijgen we te horen en te voelen (de bank trilt onder het geweld). Maar het eindigt klein: de organist geeft een toegift waarbij hij de klokken, de cimbelster en de kleinste stemmen van het orgel laat horen. In een soort wiege- of slaapliedje.
De titel “Sterre der Zee” is in de katholieke eredienst terechtgekomen door de verklaring van de naam ‘Maria’ door de heilige Hiëronymus. Hij deelde de Hebreeuwse naam ‘Maryam’ op in ‘Mar’ en ‘Yam’, wat in het Latijn neerkomt op ‘Stilla Maris’ oftewel ‘druppel der Zee’. Dit werd verbasterd tot ‘Stella Maris’ oftewel ‘Sterre der Zee’.















