Als ik het museum uitloop, krijsen boven me de meeuwen. Aan de overkant van de drukke weg zijn de duinen. In gedachten loop ik naar het strand. Het bezoek aan het Oranjehotel heeft diepe indruk op me gemaakt.
Ik had mijn dag vandaag te vol gepland, dus moest ik kiezen welke musea ik ging bezoeken terwijl ik ook nog een wandeling door de stad wilde maken.
Ik loop via de Koekamp het Haagse Bos in. De paden zijn nog glad van de sneeuw (nu ijs). Via een woonwijk kom ik vervolgens bij Landgoed Clingendael, waar het gelijknamige instituut is gehuisvest. Vanuit het park loop ik richting de duinen. Over de Oude Waalsdorperweg ga ik linksaf. Rechts, weet ik, ligt de executieplaats op de Waalsdorpervlakte. Met de grote bourdonklok. En vier bronzen kruizen.
Het museum is gehuisvest in wat is overgebleven van de cellenbarak die in 1914 in de tuin van de Bijzondere Strafgevangenis Scheveningen werd gebouwd. Door de Eerste Wereldoorlog namen smokkelen en kleine criminaliteit hand over hand toe en er waren cellen nodig. Zelfs naar de maatstaven van die tijd voldeden de cellen niet.
In mei 1940 zaten er korte tijd Duitsers en NSB-ers geïnterneerd maar de bezetter nam dit blok al snel in gebruik voor in hun ogen subversieve elementen. Joden, Roma, Sinti, homoseksuelen, onderduikers, verzetsmensen, zelfs mensen die zonder reden werden opgepakt en vastgezet.
Op de muren worden vader en zoon Campert geciteerd. (Het lied van de achttien dooden en Verzet begint niet met grote woorden). En Hans Albin Rauter, de hoogste SS-er in Nederland. Het maakt niet uit wie er sterft en of deze onschuldig is of niet, als het maar op het juiste moment gebeurt. Effect, daar gaat het om.
Ik zie de dodencel, nog origineel. Net als alle cellen ooit, ingericht met een houten krib, een klaptafeltje, een kruk, wat planken, een toiletemmer, 3.60 diep, 1.90 breed, 3.60 hoog, houten deur met spionnetje en etensluikje. Hoog boven de deur de enige raampjes. Als ter dood veroordeelde zat je alleen, anderen zaten wel met drie of vier in een cel.
Ik luister naar de verhalen. En de uiterste consequenties van de gemaakte keuzes. Titus Brandsma en Pim Boellaard en Erik Hazelhoff Roelfzema zijn natuurlijk bekende namen, maar er zaten nog veel meer mensen die voor de meeste Nederlanders onbekend gebleven zijn.
Aan een muur hangen de vier originele kruizen van de Waalsdorpervlakte. Op 3 mei 1946 richtten oud-verzetsmensen deze vier kruizen op, gemaakt van de executiepalen. Toen ze verweerden, werd er een koperen laagje opgebracht, maar in 1981 werden ze afgezaagd en vervangen door replica’s.
Ik zie het poortje waardoor de gevangenen naar de executie werden geleid. De medegevangenen wisten dat het gebeuren ging en zongen het Wilhelmus. Eerst de aanpalende cellen en als een olievlek verspreidde het zich door de hele gevangenis. Op film vertelt Gerrit Koele, destijds boerenknecht uit Oldebroek, hierover en hij schiet weer vol.
Als ik eenmaal buiten de meeuwen hoor krijsen, denk ik: dat hebben gevangenen toen ook gehoord.
Op de boulevard is het heel koud. De wind is behoorlijk en de zon heeft vandaag weinig kracht. Ik bestel kibbeling en wordt gewaarschuwd voor de meeuwen. En echt hè, ik kan maar net een aanval afwenden.
Door Park Westbroek en dan langs de Scheveningse Bosjes kom ik bij het Kanaal, de waterverbinding tussen Den Haag en Scheveningen uit 1830. Ik passeer Madurodam (ook een monument, voor George Maduro die ook in het Oranjehotel gevangen zat).
Dan mijn tweede museum van vandaag. Het huis van het boek, vroeger Museum Meermanno. Ik wil De Gordel van papier zien, een tentoonstelling over de invloed van drukpers en boeken in het koloniale Indië.
Net als in Europa in de 15e en 16e eeuw had de komst van de drukpers grote gevolgen. De Nederlandse overheersers probeerden natuurlijk wel alles in goed (lees koloniale) banen te leiden.
Er liggen prachtige voorbeelden van handschriften uit het tijdperk van voor de drukpers. Minutieuze tekentjes op een bamboepijpje, een soort boekrol (meer een wiel), een bezwering, beschreven bladeren, veerpennen van een jaarvogel met inkt aan de punten.
Heel apart: in 1853 verschijnt in Indonesië al een Nederlandstalige druk van De Negerhut van Oom Tom. In Indonesië!
Want het cultuurstelsel, zoals de Nederlandse regering het belastingstelsel noemde, was niets meer en minder dan ordinair uitwringen. Nederland profiteerde, Indonesië krepeerde, was de facto een slavenvolk.
Er werden oorlogen gevoerd met de Inlanders, zoals de Indonesiërs werden genoemd. Aceh (Atjeh) is misschien wel de bekendste (beruchtste) en gruwelijkste. En wat ligt hier op tafel? Een gezelschapsspel, een soort ganzenbord, maar dan geënt op deze oorlog…
Nederland heeft in de omgang met Indonesië, zeker na de Tweede wereldoorlog, telkens keuzes gemaakt, waar je nu alleen maar je hoofd om kunt schudden. En destijds deden andere landen dat ook.
Ik ben blij dat ik dit heb gezien en ga straks verder lezen in Revolusi, een belangwekkend boek over de vrijheidsstrijd van Indonesië en de Nederlandse rol daarbij.











