Fectio, zo noemden de Romeinen de Vecht. Beide rivieren trouwens, de Overijsselse en de Stichtse. Rond 600 vC komt de Stichtse Vecht als Fecta voor. Het betekent zoveel als vaart of stroom.
Tja, dan zal ook de Overijsselse Vecht hetzelfde betekenen. En die had juist zo’n mooie mysterieuze herkomst, naar de Germaanse prins Vechtan die rond 400 vC in de rivier zou zijn verdronken.
Hoe het ook zij, ik ben op stap in Utrecht. Vanaf Centraal loop ik langs de gereconstrueerde Catharijnesingel naar het Paardenveld. Op TopoTijdreis zie ik de kortste snelweg van Utrecht verschijnen en verdwijnen. Zes banen lagen hier ooit, want in het maakbaarheidsdenken van de wederopbouw moest iedere binnenstad per auto bereikbaar zijn, met grof geweld desnoods zoals hier. Nu is het een oase van rust en je kunt je de snelweg niet meer voorstellen. Het Paardenveld dankt zijn naam aan de paardenmarkt die hier in de 16e eeuw werd gehouden.
Bij het voormalige voorstadje Bemuurde Weerd (ommuurd riviereiland) komt de Rijn via de Oudegracht de oude binnenstad uit en vervolgt zijn weg als Vecht, maar ooit lag de splitsing van Rijn en Vecht zuidelijker, waar nu Fort Vechten ligt en het Romeinse fort Fectio.
Een reconstructie van een middeleeuwse werfkraan staat langs de kademuur. Zo’n kraan werd aangedreven door Craenkinderen. Zij liepen in het aandrijfrad, wat heel gevaarlijk was. Dit werd normaal gesproken juist door raddraaiers, gevangenen gedaan. Hm…!
Langs de Vecht loop ik Utrecht uit. Ik ben op weg naar Slot Zuylen in Oud-Zuilen. Het is een bijzonder pittoresk dorpje met een brug over de Vecht, oude huizen, een kerkje en natuurlijk het kasteel.
Ik loop het mooie poortgebouw door naar het voorplein. In de kelder mag ik jas en tas achterlaten en ik neem een kijkje in de wijnkelder waarachter nog de oude gevangenis zit. De heer van Zuilen mocht nl. ook recht spreken.
Door het kasteel heen is de tentoonstelling ‘Met van Tuyll aan tafel’ te zien. Prachtige serviezen, glinsterend glaswerk en glimmend zilveren bestek van de familie worden in vrijwel iedere ruimte uitgelicht. De route door het kasteel is zo gemaakt dat je het hele kasteel kunt bekijken. Alles is prachtig versierd voor de kerst en op deze sombere dag zorgt dat voor een sfeervolle ambiance.
Slot Zuylen heeft een lange geschiedenis achter de rug. In de 13e eeuw bouwt een heer van Zuilen en Anholt een donjon, een versterkte woontoren. In de 14e eeuw komt er een zaalhuis bij. Veel is er niet over bekend. De Van Zuilens verdeelden zich over diverse takken en via vererving kreeg Frank van Borssele het in bezit. Frank was een hoge Zeeuwse edelman maar is het meest bekend als man van, nl. als 4e echtgenoot van Jacoba van Beijeren. Het is ook de tijd van Hoekse en Kabeljauwse twisten en het kasteel overleeft dat niet.
Pas in 1510 gaat een Rennenberg het herbouwen en in de 17e eeuw wisselt het diverse malen van eigenaar. In 1656 komt het door vererving in het bezit van de familie Van Tuyl van Serooskerken. Deze familie voert terug op een Pieter Hugen Reynersz alias Serooskerke, burger van Zierikzee en sinds 1483 eigenaar van de heerlijkheid Serooskerke.
Deze familie bewoont het kasteel tot 1951/1952, dus bijna 300 jaar.
Bekendste bewoner is Belle van Zuylen, pseudoniem van Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken. Zij was in de 18e eeuw een bekend schrijfster en voerde een uitgebreide correspondentie met familie, vrienden, geliefden en collega’s. Van haar vele duizenden brieven zijn er 2600 overgebleven.
Daarnaast schreef ze proza, essays, toneelstukken, libretti en muziekcomposities. Ze was een feministe avant-la-lettre, die ook sociaal-politieke vraagstukken niet schuwde.Toen ze 30 jaar was trouwde ze met de gouverneur van haar oudere broer. Haar man had haar beloofd dat ze zichzelf mocht zijn in hun huwelijk.
In het kasteel is haar appartementje opnieuw ingericht. Zij noemde het haar groene kamertje en inderdaad, alle is groen. Groen behangsel, groene bekleding. Ze keek uit op de slangenmuur van het kasteel.
Terzijde: De slangenmuur is een bochtige muur waarin zuidvruchten konden groeien. De bochten in de muur beschermden het fruit tegen de wind en hielden tevens de warmte van de zon vast.
Het kasteel is voor het laatst ingrijpend verbouwd in het midden van 18e eeuw. Sinds die tijd is er niet wezenlijk meer iets aan de buitenkant gewijzigd. Van binnen natuurlijk wel, want iedere generatie bracht een eigen manier van leven mee op de cadans van de tijd. Zo is er een Rietveldstoel uit 1906 te zien, is er electrisch licht en centrale verwarming aangebracht en een electrisch bellenbord voor het personeel.
Heel bijzonder is de keuken met aanverwante vertrekken. Die zijn op de eerste etage en niet in het souterain omdat de Vecht nog wel eens natte voeten wilde geven. Er is een provisiekast, een teecamertje (voornamelijk om te pronken met servies en snuisterijen), een koperkamer en een prachtige keuken met een 17e eeuws fornuis en een broodoven.
In de eetkamer staat de tafel gedekt alsof de familie ieder moment de gasten kan verwelkomen. Ernaast ligt de misschien wel mooiste ruimte van het hele kasteel, de gobelinkamer. 75 m2 wandtapijt uit de 17e eeuw met daarop prachtige overwegend groene taferelen met lanen en dieren.
Was Zuylen een oud kasteel dat uiteindelijk een soort lusthof of buitenplaats werd, langs de Vecht lagen en liggen tientallen buitenplaatsen die niet teruggaan op een middeleeuwse voorganger.
Hiervoor vervolg ik mijn weg langs de Vecht naar Maarssen, naar het Vechtstreekmuseum bij Goudesteyn.
Onderweg loop ik door het dorp Maarssen met de prachtige 17e eeuwse bebouwing langs de Vecht. Eerst over de Langegracht en dan de Herengracht, aan de overzijde ligt de Schippersgracht.
Het museum is gevestigd in het voormalige buiten Silverstein, het latere koetshuis van Goudesteyn.
Als je dacht dat de rijke heren uit Amsterdam gewoon een buitenplaats bouwden aan de Vecht voor vermaak? Nee! Het was wel degelijk een investering. In grond, in turfwinning, in zandwinning, in droogmakerijen.
De oeverklei is geschikt voor bakstenen die worden gebruikt om huizen te bouwen in Amsterdam. Op de afgegraven percelen worden vervolgens de buitenplaatsen gebouwd.
Aan de Vecht was het goed toeven, schone lucht, vruchtbare grond en redelijk drinkwater. De stad was -zeker in de zomer- ongezond en vies en de grachten stonken.
Op een gegeven moment wordt het onderhoud van deze prachtige panden zo kostbaar dat sloop de enige uitkomst lijkt. En dan niet de slopershamer er over, nee, dan moet je de sloper betalen. Nee, zo’n gebouw wordt dan aangeboden als een soort steengroeve. De kopers kunnen de stenen daar losbikken en gebruiken voor het bouwen van nieuwe huizen. Zo levert het toch nog wat op.
Andere buitens worden in gebruik genomen als fabriek of kantoor.
Van de ooit 150 buitenplaatsen en kastelen in dit gebied (niet alleen de Vecht maar ook de Angstel) is nog maar ongeveer de helft over.
Ik loop terug naar Maarssen, weer langs de Vecht. Bij het museum staat een beeld van een trekschuit. De Vecht was een belangrijke verkeersader totdat de trein die functie overnam.
De trekschuit was een vroege vorm van openbaar vervoer, ontstaan in de 16e eeuw. De bloeiperiode was in de 17e eeuw. Door de strakke planning met vaste aankomst- en vertrektijden werd het toen mogelijk een reis te plannen.
Op de trap in het museum zag ik de mij zeer bekende schoolplaat van Isings: Een buitenplaats aan de Vecht.
Als ik terugloop kom ik langs het hek van Doornburgh. Dat is het oude hek van buitenplaats Elsenburg, de buitenplaats op die bewuste schoolplaat. Elsenburg is in 1812 gesloopt en de grond is toegevoegd aan de buren van Doornburgh.
Het 18e eeuwse boothuis en het hek resteren nog, al staat op het hek nu Doornburgh.















