Ik heb vandaag een soort tijdreis gemaakt door het landschap van Noord-Holland. In Schermerhorn stapte ik uit de bus voor een bezoek aan het Molenmuseum. Het gaat om 9 uur open en ik stapte om 10 over negen uit de bus. Dacht je dat ik de eerste bezoeker was? Nou, nee dus. Twee grote touringcars hadden net een groep toeristen uitgeladen.

Het Schermeer was het laatste grote meer in Noord-Holland dat werd drooggelegd. Het is ook de enige waar delen van de originele molengangen zijn blijven staan. Bij Schermerhorn staan nog vier molens van de zeven die ooit de complete molengang uitmaakten. Een ondermolen, twee benedenmolens, twee middenmolens en twee bovenmolens was de complete gang. Eén molen is museum en te bezichtigen. Er is een verrassend grote woonruimte omdat in de 19e eeuw de schepraderen werden vervangen door een vijzel, die ónder en niet ín de molen zat.

Deze wijze van bemaling was anders dan in de andere droogmakerijen, geen losse gangen maar molencomplexen. Raakt één molen defect, dan komt niet de hele maalgang stil te liggen. Er is nog een tweede molen die door kan gaan. Ook wordt in de Schermer al ín de polder op een binnenboezem uitgeslagen, waardoor de poldermolens kleine peilverschillen konden opvangen. Trouwens, we praten over 1633-1635. 1633 is het plan klaar, 1635 is het meer droog.

De kaarten aan de wand geven een beeld van de gatenkaas die Noord-Holland toen was. Met de ontginning en het graven van afwatering voor het natte veen, kwam er meer en meer water, en de slappe veenbodem daalde daardoor niet alleen, maar kalfde ook af bij elke storm. Met nog meer water als gevolg.

Het was een gedurfd plan van een lokale timmermanszoon dat aan al deze droogmakerijen ten grondslag lag. Leeghwater, zoals wij hem nu kennen, werd geboren in De Rijp als Jan Adriaenszoon. In de molenloods hangt een tekening van zijn hand, waarop hij aan investeerders uitlegde wat de bedoeling was. Van laag naar hoog slaat telkens een hoger staande molen het water uit op een boezemvaart. Met drie gangen moest het lukken. Hij had al de bovenkruier uitgevonden, een belangrijke verbetering van de molen, waardoor de kap altijd recht in de wind gezet kon worden.

Het weer is prachtig en ik begin aan mijn wandeling over de dijk langs de Schermer. Aan de andere kant ligt de Eilandspolder, vroeger Schermereiland genoemd. Dit stuk veen bleef gespaard in de stormen die de Beemster (een verbastering van Bamestra, het riviertje dat uiteindelijk tot het meer uitgroeide) en het Schermeer vormden.

Dit Schermereiland werd bewoond door vissers en landbouwers. Er ontstonden diverse dorpen. Grootschermer, Noordeinde, Graft en De Rijp zijn de dorpen waar ik vandaag doorheen wandel. Ik geniet van de prachtige bebouwing, en vooral de oude raadhuisjes. In Grootschermer met aangebouwd rechthuis, in De Rijp is de waag er in opgenomen. Het is de oudste bebouwing die er nog is, van begin 17e eeuw, met drie trapgevels, alles in de stijl van de Hollandse Renaissance.

Ik zie op een paar plekken een Vermaning, zoals Doopsgezinde kerken worden genoemd. Het landschap heeft dit in de hand gewerkt. Tijdens de Reformatie vluchtten Doopsgezinden naar het relatief achterafgelegen Schermereiland, dat door het vele omringende water ook nog moeilijk bereikbaar was.

De Rijp heeft een aardig oud centrum, wel van ná de grote brand van 1654, waarbij meer dan 400 huizen en 150 pakhuizen in vlammen opgingen. De Rijp was nl. een welvarend dorp geworden, zo leer ik in het museum. De mannen werkten op de zgn. grote visserij, de haringvangst. Enkhuizen had het grootste deel in handen, maar De Rijp de overige 25%. Dat bracht veel bedrijvigheid met zich mee, hennepklopmolens, touwbanen, scheepswerven. Het dorp telde op het hoogtepunt 12.500 inwoners, twee keer zoveel als nu.

Toen de haringvisserij verliep, ging men op walvissen jagen, de zgn. kleine visserij. Maar de droogmakerijen zorgden er voor dat schepen zeer moeilijk vanuit De Rijp naar zee konden. Toen de walvissen overbevist waren, verliep dit ook.

Armoede stak weer de kop op. Er werd getuinierd in de Eilandspolder, anderen vertrokken naar Amsterdam of Zaandam om hun geluk te beproeven. Een voorbeeld van de armoede is dat er vele winkeltjes ontstonden. Iedereen kocht bij winkeliers van de eigen kerk en veel vrouwen gingen in een stukje van het voorhuis een nering drijven om het karige loon van hun man aan te vullen. Ik denk ineens aam de boeken over Dik Trom, waar dat ook in voorkomt. Het speelt in de Haarlemmermeer, een veel jongere droogmakerij

Als ik het museum van De Rijp uitkom, regent het, maar in de verte is het lichter. Ik waag het er op. Nog 5 km tot het volgende museum.

Ik loop De Rijp uit en dan kijk ik uit over de Beemster, UNESCO werelderfgoed vanwege de ruimtelijke ordening. Zo op de grond valt die niet zo op, maar op een kaart wel degelijk. Elke 1800 meter een weg, en er tussenin een tocht of wetering, ook elke 1800 meter. De ontstane vierkanten zijn verder opgedeeld in kavels met sloten omringd. Dit landschap is letterlijk met het meetlint ontworpen.

De droogmakerijen dienden twee doelen: geld verdienen voor de investeerders, die de vruchtbare kleigrond als veeteelt- en akkerbouwbedrijven gingen verpachten. Zelf woonden ze in de diverse buitenplaatsen die in of bij de boerderijen werden gebouwd. Maar het diende wel degelijk ook de veiligheid, want die grote meren waren een bedreiging voor het omringende land.

Ik passeer een grote kaasmakerij en kijk even in de winkel. Uiteraard wordt hier Beemsterkaas verkocht…

In Middenbeemster staat Erf Westerhem, de typische stolpboerderij die zo bij Noord-Holland hoort. Relatief licht en daarom geschikt voor de slappe veenbodem. De hooiberg zit in het midden, gevaarlijk natuurlijk in geval van hooibroei, voor het woon-/slaapvertrek, ernaast de lange regel, waaraan de koeien stonden, rechtsachter de korte regel waar het jongvee stond, ernaast de dars ofwel de wagen-/werkschuur met helemaal achterin de paardenstal. In dit geval voor maar liefst drie paarden. Voor de boerderij staat nl. de burgemeesterswoning. De burgemeester was ook boer, maar liet een knecht en zijn gezin in de boerderij wonen en deze in bedrijf houden. Eén paard was voor de knecht (houten voerbak en houten ruif), één voor de burgemeester die veel op pad moest, en eentje voor mevrouw die haar eigen verplichtingen had. Deze paarden beschikten over een hardstenen voerbak en smeedijzeren ruiven. Verschil moet er zijn, niewaar?

Het is gaan regenen en buienradar voorziet nog een hele poos regen, dus ik hou het voor gezien. De bus naar Purmerend komt helaas niet, maar plots wel die naar Alkmaar. Gauw instappen en de lange reis terug aanvaarden.

  • In Leeghwater betekent Leegh ‘laag’, niet leeg.
  • De Beemster bestond in 2012 400 jaar.
  • De Schermer bestaat over 12 jaar 400 jaar.
  • Middenbeemster ligt midden op de as Oost West, maar niet midden op de as Noord Zuid. De naam is afgeleid van de middenkavel waarop in 1610 het plein werd aangelegd.
  • De Keyserkerk in Middenbeemster heet naar de architect Hendrick de Keyser.
  • Graft heet naar de gracht die rondom de kerk werd gegraven.
  • De Rijp betekent rand of oever en komt van het Latijnse ‘ripa’, rivieroever.
  • Een watermolen werd als een soort bouwpakket geleverd en kon dus relatief snel in elkaar gezet worden. En worden verplaatst, indien nodig.
  • In het Molenmuseum staat op de loods het NAP aangegeven. In de hoger gelegen molen zou het net droog kunnen blijven.
  • In Erf Westerhem staat in de tas of hooiberg een peilschaal. Ver boven mijn hoofd is het NAP. Het is hier diep, heel diep.

Plaats een reactie