Ik dacht altijd dat het een zandbank was, Pampus, maar dat is dus niet het geval. Het was een ondiepe met slib gevulde geul. Daar dankt het ook de naam aan: pampe is dikke brij. In het Duits bestaat dit woord nog.
Elk schip dat zwaar beladen was of waarvan de bodem niet vlak was, kon hier vast komen zitten.
We spreken over de 17e eeuw, de tijd van de VOC, van schepen die zwaar beladen met allerlei goederen uit de Oost de Zuiderzee op kwamen varen, naar thuishaven Amsterdam.
De Zuiderzee was toen nog de enige manier om Amsterdam te bereiken. Bij sommige schepen werd de lading op kleinere schepen overgeladen, maar niet alle. En die kwamen vlak voor Amsterdam voor Pampus te liggen, niet in staat zich te bewegen.
Dat was natuurlijk een groot probleem en voor problemen worden oplossingen bedacht. Zo ook hier. Scheepskamelen.
Echt, zo worden deze hulpmiddelen genoemd. Het is een drijver of een systeem van drijvers waaraan het schip wordt gekoppeld en hierdoor vermindert de diepgang. En zo kon de ondiepe Pampus worden overwonnen.
Deze constructie was bedacht door ene Meeuwis Meindertsz Bakker, die deze testte in april 1690. Een groot oorlogsschip werd met een stel kamelen over de ondiepten van Pampus gehaald.

Scheepskamelen worden nog steeds gebruikt, bijv. in havens om steigers te lichten. In 2001 nog is een gigantisch stel scheepskamelen gebouwd voor het lichten van de verongelukte onderzeeboot Kursk.
In IJburg stap ik op het omgebouwde vrachtschip (124 jaar oud) dat me naar Pampus brengt. Het is mooi weer, een zonnetje, de wind is wat aangetrokken, Durgerdam zie ik liggen met de typische houten kerk, daarachter de stoere toren van Ransdorp. Schepen varen af en aan. Ik zit aan dek en geniet van de tocht.
Pampus is nu een forteiland. Het werd gebouwd als onderdeel van de Stelling van Amsterdam en in reactie op de Frans-Duitse oorlog van 1870/71.
Amsterdam werd als hoofdstad beschermd door een innundatiering, waarbinnen ook ruimte was voor veeteelt en verbouw van gewassen. De accessen (plaatsen waar een weg, rivier, kanaal, dijk of spoorlijn de inundatie onderbrak) werden beschermd door een 30-tal forten.
De Frans-Duitse oorlog deed beseffen dat het ooit verdeelde Duitsland een machtige vijand was. Dus moest de oostzijde van Amsterdam, de ingang van het IJ, ook beschermd worden.
In 1895 was het klaar. Er was een ring in het Pampus geplaatst waarbinnen het slib werd verwijderd. Zand werd aangebracht en na inklinking werden 4000 palen in de grond geheid.
Beton, met basaltstukjes erin, en baksteen waren de bouwmaterialen. Meters dikke daken en muren werden gebouwd. Twee gigantische stalen geschutskoepels met ieder twee grote kanonnen, bereik tot 10 km.
Het werd nooit gebruikt, wel gemobiliseerd in de eerste wereldoorlog, maar na de afsluiting van de Zuiderzee was het overbodig.
De Duitsers hebben het nog enige tijd gebruikt, maar verlieten het. De geschutskoepels lieten ze springen en het staal ging met de kanonnen naar Duitsland om als grondstof te dienen voor kanonnen.
Voor en na het einde van de oorlog is vrijwel alle hout uit het fort gesloopt om te gebruiken als brandhout. De mijnenopruimingsdienst gebruikte het fort nog tot 1952.
En toen… verpauperde het fort.
Gelukkig is het nu geconserveerd, de nieuwe houten koepels houden het fort droog, er zijn rondleidingen, tentoonstellingen, een VR ballonvaart. Het mistklokhuisje is herbouwd, je kunt er kamperen, er is een waterwinningsinstallatie.
De boot komt ons halen, en vaart naar het Muiderslot voor de overige passagiers en dan terug naar IJburg. Het begint te regenen en ik duik de roef in.
Trouwens, het thema van mijn zomervakantie dit jaar? Water!










