Tja, op deze frisse bewolkte zaterdag lokt het niet om te gaan fietsen. Daar gaat mijn plannetje.

Dus ga ik naar Utrecht voor een orgelconcert in de Dom, maar vooraf wil ik nog naar een museum. Rietveld-Schröderhuis? Uitverkocht! Sterrenwacht Sonnenborgh? Dicht op zaterdag. OK, dan het Nijntje-museum. Ook uitverkocht. Het aanbod van het Centraal Museum trekt me niet en het Catharijne Convent ook even niet.

En zo beland ik bij de Buurkerk waar het Museum Speelklok gevestigd is. Een mooie prelude op het concert later.

Ik ga met de rondleiding mee, en het blijft grappig om te zien hoe wij moderne mensen evengoed nog gefascineerd staan te kijken en luisteren bij de eeuwenoude instrumenten die worden getoond en aangezet.

In het trappenhuis van deze oude kerk hangt een groot carillon met een zichtbare speeltrommel. Die automaat zorgt er voor dat het carillon kon spelen zónder bespeler. Dit kon al in de 16e eeuw. De speeltrommel is eigenlijk al een soort computer. De pinnen op de trommel kunnen worden versteld (versteken heet dat). Ze brengen de hamers in beweging die de klokken tot klinken brengen. Een pin is een slag, de één, zeg maar. Geen pin, geen slag ofwel de nul.

Veel klokken werken met bellen en hamers, maar ook met kleine orgelpijpjes. De mooiste instrumenten werden gemaakt, klokken met bewegende schilderijen, zon- en maanstanden, maar ook bomen met fluitende vogeltjes, alles rijk gedecoreerd én alleen voor de rijke bovenlaag.

De uitvinding van de speelkam zorgt ervoor dat ook minder gefortuneerde mensen een speelautomaat kunnen aanschaffen. Zoals een kool van papier-maché met een konijntje dat op de muziek verschijnt en verdwijnt.

Buikorgels verschijnen op straat, al dan niet voorzien van een mooi tafereeltje, en dan kleine draaiorgels op een karretje. Later de grote draaiorgels, vooral in Nederland, en ergens is dat logisch. Het zware instrument werd door een paard voortgetrokken en dat gaat in ons vlakke land vrij makkelijk.

De uitvinding van orgelboeken met daarin de melodie geponst, zorgde voor uitbreiding van het assortiment muziek. In plaats van 5 of 6 stukken, kon je meer boeken meenem én je kon inspelen op de actualiteit en snel de nieuwste muziek laten horen. Zo’n boek was relatief snel te maken.

Er werden ook orchestrions gebouwd waarmee live muziek in cafés kon worden gedraaid en gigantische dansorgels begeleidden het dansende publiek in de diverse dansgelegenheden.

En dat brengt me bij het orgel. Ik ga de Buurkerk uit en loop naar de Domkerk, waar twee organisten zullen improviseren op het grote orgel.

Het orgel gaat als instrument al een poosje mee. Het zou ergens in de 3e eeuw vC zijn uitgevonden door Ktesibios, een werktuigkundige uit Alexandrië. Hydraulos werd het genoemd, van hydor en aulos (water en dubbelriet-fluit). Ktesibios plaatste een reeks auloi van verschillende lengtes op een bak waar lucht onder druk in werd gepompt. Constante luchtdruk werd geleverd door een pompsysteem waarbij de luchtdruk werd gereguleerd door water. (In de Hellenistische en Romeinse cultuur speelde het orgel een belangrijke rol bij muziekwedstrijden en (seculiere) plechtigheden.)

Op enig moment is bedacht om de ingewikkelde windvoorziening van de hydraulos te vervangen door blaasbalgen. De eerste aanwijzingen van orgels met blaasbalgen dateren uit de 2e eeuw.

Na de neergang van het West-Romeinse Rijk verdween ook het orgel in West-Europa, maar in Byzantium bleef het voortbestaan. Het orgel kwam op enig moment terug. Bekend is dat Pepijn de Korte in 757 een orgel cadeau kreeg van de Byzantijnse keizer Constantijn V.

Tot hier toe heeft het orgel nog geen functie in de christelijke kerk. De vroege kerkvaders stonden zeer wantrouwend tegenover instrumentale muziek. Vanaf de 10de eeuw is er (in Engeland) sprake van orgels in kerken en kloosters. Het zou echter nog lang duren voor het orgel volledig aanvaard zou worden in de christelijke kerken. Tegen 1300 is het orgel, ondanks tegenstand van kerkelijke overheden, in veel stadskerken en kloosters in gebruik in de eredienst.

De reformatoren stonden kritisch tegenover het orgel. Calvijn omschreef het orgel als ‘sirene van de duivel’ en het stond symbool voor de katholieke extravagantie. In de Nederlanden waren er ook voorstanders van het orgel en daarom zien we vanaf het midden van de zeventiende eeuw steeds meer Nederlandse kerken waar een orgel in de erediensten dienst doet.

En daar ben ik heel blij om. Het is zomer en dat betekent dat overal in Nederland orgelconcerten worden gegeven. Ik heb al verschillende concerten kunnen bijwonen en vanmiddag ben ik in de Dom. Improvisaties door twee gerenommeerde organisten.

Muziek van nu beroemde componisten werd ook in de speelklokken en muziekdozen gebruikt. En Haydn schreef muziek voor het Flöthenuhr (Duits voor speelklok), en die wordt ook op orgel uitgevoerd.


Plaats een reactie