Alsof ik een schilderij van Saenredam inloop. Vanuit de zonnige drukke buitenwereld de hoge en serene Hooglandse Kerk in. Eerste indrukken: wit, leeg, stil.
Inderdaad, Leiden, daar ben ik vandaag. Het is de Leidse Orgeldag en dat wil ik wel eens meemaken.
We krijgen vandaag zes orgelconcerten en één beiaardconcert voorgeschoteld.
Start is de Pieterskerk, de kerk van de schutspatroon van de stad: Petrus. Vandaar de sleutels in het stadswapen (dat ik echt overal zal tegenkomen vandaag).
De kerk doemt voor me op als ik door een smal steegje loop. Hoog boven de bomen uit. De kerk staat in een verrassend groene omgeving. En stil dat het nog is.
1121: toen werd er op deze plek een kapel gewijd aan Petrus en Paulus. De kapel was bestemd voor de graven van Holland. Floris V werd hier gedoopt. Hij was degene die het grafelijk hof naar Die Haghe verplaatste.
Vanaf 1390 werd bijna 200 jaar gebouwd aan de huidige kerk. De kerk is nu ingericht als examenzaal en het koor is een café.
Over het hoofdorgel is documentatie bekend uit 1398. Het werd aangepast en vergroot in ca 1445, ca 1530 en ca 1559. Uit deze periodes is nog pijpwerk aanwezig. Dat uit 1445 behoort tot het oudst nog spelende pijpwerk ter wereld. Het orgel kreeg tussen 1636 en 1643 zijn huidige omvang. De jonge Spaanse organist speelt een heerlijk programma van oude muziek, 16e en 17e eeuws, passend bij dit bijzondere instrument. O.a. de Est-ce Mars van Sweelinck.
De volgende stop is de Waalse kerk. De barokke voorgevel verbergt een middeleeuwse gasthuiskapel met een typisch 17e eeuwse inrichting. Groene balken, lichtgroen tongewelf en een 17e eeuws orgel. Het lijkt wat te groot voor de kapel en dat klopt ook wel, want het was gebouwd voor de Vrouwekerk, de nu afgebroken hoofdkerk van de Waalse gemeente.
De organist is liefhebber van oude muziek en laat dat merken in zijn programma. De fuga van Buxtehude is een stralende afsluiting.
En we gaan naar de Marekerk. De Lange Mare, de straat waaraan de kerk staat en zijn naam ontleent, is een gedempte veenrivier, tevens Rijn-arm. Het gebouw is een typische 17e eeuwse protestantse kerk in centraalbouw, met de preekstoel centraal. Het is een achthoekige kerk in de stijl van het Hollands classicisme die ook die sfeer nog ademt.
Het uit circa 1560 stammende orgel is gemaakt voor de Pieterskerk, maar werd in 1733 naar de Marekerk overgebracht door de orgelbouwer Rudolf Garrels, die het daarbij verbouwde en uitbreidde. Garrels was een leerling van de beroemde Duitse orgelbouwer Arp Schnitger.
De organist combineert neo-barok met barok in een prachtig programma. En de finale met een jeugdwerk van Bach is swingend en verrassend.
Tijd voor de lunch die ik in de tuin achter de Waalse kerk gebruik. En om 13 uur begint het beiaardconcert. Ik hoor de klokken al! Dus wandel ik in de omgeving van de Stadhuistoren om de klanken over me heen te laten gaan. Wat is dat toch mooi!
Het Stadhuis van Leiden lijkt oud, maar is deels nieuwbouw uit de jaren 1930-1940. De brand van 1926 verwoestte veel, ook de toren met beiaard.
De voorzijde van het stadhuis is de gerestaureerde Renaissance gevel uit 1600. De rest, ook de toren en beiaard zijn 20e eeuws.
De muziek sprankelt over de drukte van de stad. De markt is druk, op het water varen bootjes af en aan, terrassen in het water zitten afgeladen vol. Het is een heerlijke zomerdag. Het mooiste van dit concert vind ik Rhosymedre van Vaughan Willams.
Op naar de kerk waar Saenredam zich thuis zou hebben gevoeld: de Hooglandse kerk. Het is een vreemd gebouw. De toren is laag, met een houten spits, het schip is ongeveer net zo hoog (of laag). En dan het transept en het koor. Majestueus verheft dat stuk van de kerk zich boven alles uit. Het transept is niet alleen hoog maar ook erg lang, meer dan 65 meter in totaal. De kerk is voor mijn gevoel uit verhouding. Maar wel erg mooi!
De organiste brengt een werkelijk schitterend programma op ‘haar’ orgel. Het is een in aanleg 16e eeuws orgel, dat in de 17e eeuw is verbouwd en uitgebreid. Tweemaal speelt ze het Vater unser: van Böhm en van Steigleder. Een passende finale.
We gaan naar de Lodewijkkerk en dat is echt een bijzondere kerk. De middeleeuwse gasthuiskapel met toren was gewijd aan de Heilige Jacobus. De kapel werd na de Reformatie niet meer gebruikt. Het werd een graanpakhuis en later de Saaihal (voor saai, een wollen stof).
Tijdens de kruitramp in 1807 verloor de kerk zijn dak. Maar de schuilkerk van de Rooms-katholieken werd vernietigd. Lodewijk Napoleon, de koning van Holland, verzocht om herstel van de kerk en vond dat deze aan de Rooms-katholieken moest worden toegewezen. De kerk werd toegewijd aan Lodewijk de Heilige, als eerbetoon aan de koning.
De binnenkant is daardoor totaal anders dan het middeleeuwse uiterlijk doet vermoeden. Wit, licht, een glazen kroonluchter, een orgel in Midden-Europese stijl. De organist speelt daarom Boheemse muziek. Door het vrijwel geheel ontbreken van een pedaalpartij bij de gekozen muziek klinkt het orgel als een muziekdoos.
Op naar de laatste halte: de Hartebrugkerk, een 19e eeuwse Waterstaatskerk, genoemd naar de brug die hier ooit lag. Eigenlijk is het de Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Deze kerk beschikt over een Maarschalkerweerd orgel in de stijl van de Franse symfonische orgelbouw. En de organist laat drie stukken van Franse componisten horen, waaronder de prachtige Toccata van Dubois.
Ik loop naar het station en loop prompt bijna tegen een draaiorgel op. Dat is wel even heel wat anders 😉
Maar orgels en beiaards of carillons zijn klinkend erfgoed, en draaiorgels ook. En daar zouden we zuinig op moeten zijn.










