De mistige dag wordt allengs zonniger. Op een terras aan de Hoogstraat zit ik tegenover ‘In den Koogel’, een pand uit 1600. Het is even zoeken, maar ja hoor, ik vind de kogel. Hoog bovenin het pand zit een relatief kleine kogel.
Dat is bij de Water- of Gevangenpoort wel anders. Daar zitten drie grote kogels en één kleinere rondom de doorgang. Van de vierde grote kogel rest een roestige plek in de muur.

Vandaag wandel ik het laatste Waterlinieommetje. Alle veertien heb ik ze dan gewandeld! Toch wel leuk, eigenlijk. En die laatste is: Woudrichem!

Ik heb de auto bij Loevestein gezet en vandaar ben ik naar de Afgedamde Maas gewandeld. Ik luidde de veerklok en met het veerbootje ‘Hugo’ steek ik over. Het is een kleine stad, Woudrichem binnen de vesting.

In 1356 werd Woudrichem een stad, maar het bestond al veel langer. In de 9e eeuw op de oeverwal, de Hoogstraat waar ik nu zit, ontstond een marktplaats. De Maas stroomde toen zuidelijker, ongeveer waar nu de Bergsche Maas stroomt, nog weer later was de bijna verdwenen Alm de hoofdstroom en tot 1904 de Afgedamde Maas (die toen natuurlijk nog niet zo heette).

Vanaf ca 1200 lag Woudrichem aan de monding van de Maas in de Waal, op het punt waar Hertogdom Brabant, Hertogdom Gelre en Graafschap Holland elkaar raakten. Een grensplaats en dus strategisch van groot belang. In 1356 kreeg Woudrichem stadsrechten en ook werd de riviertol van Sliedrecht naar Woudrichem verplaatst. Dirk Loeff (van Loevestein) verleende in 1362 visrecht en zo kon Woudrichem tot bloei komen. De Martinuskerk stamt uit die tijd en er werd begonnen met de stadsmuur.

Een strategische ligging brengt ook narigheid met zich mee. Zo werd Woudrichem regelmatig belegerd. Tijdens de Arkelse oorlogen maar ook in de 80 jarige oorlog. De Geuzen hebben de stad toen in brand gestoken. Ze zou onverdedigbaar zijn.

Woudrichem werd daarna een vestingstad maar wel ietsje kleiner dan daarvoor. Het stond er economisch gezien bedroevend voor met de stad. De omringende steden moesten helpen met de wederopbouw en in 1700 kreeg de stad zelfs vrijstelling van belastingen. In 1672 ontsprong Woudrichem echter wel de dans. De Fransen konden de stad niet innemen, o.a. vanwege de inundaties van het omliggende Land van Altena.

Samen met Gorinchem en Loevestein vormt Woudrichem de Vestingdriehoek. De driehoek beschemde het ‘acces’ (doorgang) dat de Merwede vormde in de Waterlinie.

Net als Gorinchem en Loevestein bleef Woudrichem van belang voor de landsverdediging. De vesting uit de 16e eeuw werd bij iedere dreiging in gereedheid gebracht, zoals in 1914 en in 1939. Maar in 1951 viel het doek. Woudrichem kon eindelijk uitbreiden buiten de vestingmuren. Herstel van de oude vestingwerken, restauratie van de binnenstad met pareltjes van gevels, de aanwezigheid van het water: Woudrichem is een stad die van het toerisme leeft.

Op de Hoogstraat kijk ik mijn ogen uit. Het 16e eeuwse stadhuisje, de panden met zogenaamde Dordtse gevels (waaronder het huis met de kogel), de gevelstenen. De oude stadspomp, die met een drukknop tegenwoordig weer water geeft. De arsenalen, de molen, twee beren (één zonder en één met monnik), de poort met de kanonskogels, de oude visafslag met een krijtbord met daarop de waterstand van vanmorgen vroeg in Keulen. En dan natuurlijk de havens aan beide kanten.
O ja, en het beeldje van Jan Claesen. Waarom hier? Niemand die het goed weet. Hij zou in Andel, hier niet ver vandaan, zijn begraven. De Rotary gaf dit beeld cadeau aan Woudrichem, ter verfraaiing. En of de Oranjevereniging van Andel achter de diefstal van het beeldje heeft gezeten?
In elk geval blaast hij zijn trompet weer!

Vanaf Woudrichem stap ik langs de Afgedamde Maas naar Poederoijense Hoek. Het zonnetje breekt lekker door, de lucht is blauw en een beetje wazig aan de horizon. Bij de mooie Wilheminasluis steek ik de Afgedamde Maas over en loop daarna het Munnikenland in, de polder waarin al eeuwen Slot Loevestein ligt.
Maar daarover later meer!


Plaats een reactie