Vanaf station Bodegraven loop ik langs wat non-descripte bedrijfsgebouwen het polderland in. Een smal weggetje slingert langs het veenriviertje Oud-Bodegraven. Oude boerderijen, nieuwe(re) huizen, slootjes en sloten, lange smalle stroken grasland, een voormalig kaaspakhuis. Na de relatieve rust moet ik een stukje langs een oprit van de snelweg, maar dan loop ik richting de Reeuwijkse plassen.

De voorspelde regen blijft uit, de zon laat zich zien tussen de grote wolkenpartijen door, windkracht 5 blaast schuimkopjes op het water. Heerlijk wandelweer.

In 1672 was dit gebied nog een polder, de Reeuwijkse polder, gedoemd om onder water gezet te worden bij het in stelling brengen van de Waterlinie. In 1673 werd de polder leeggemalen, maar door turfwinning ontstond later alsnog de waterplas waar ik nu naar sta te kijken.

Ik loop langs en tussen de veenplassen door. Het heeft afgelopen nacht geregend en her en der lopen slootjes bijna over.

Ik loop richting Driebruggen en daarbij passeer ik het smalste gedeelte (nog geen 1.5 km) van de Oude Hollandse Waterlinie, de polders tussen de Enkele en de Dubbele Wiericke. Dit zijn twee oude vaarten uit de 14e eeuw, gegraven vanaf Hekendorp aan de Hollandse IJssel naar de Oude Rijn bij respectievelijk Fort Wierickerschans en Nieuwerbrug.

Het smalste stukje Waterlinie

Ik steek de Prinsendijk over, de westelijke dijk van de Enkele Wiericke. Omdat de Franse troepen zelf ook dijken doorstaken werd deze dijk opgehoogd. Een 600 man sterk dijkleger hoogde de 8 kilometer lange dijk op, en wel zo goed dat het water oostelijk ging stromen, de Fransen tegemoet.

Driebruggen ligt aan de Dubbele Wiericke en ik steek inderdaad drie bruggen over voor ik naar Waarder loop. In Waarder staat een prachtige oude kerk. Net als in Driebruggen is er verder weinig tot geen oude bebouwing. Driebruggen stond grotendeels onder water en Waarder werd ‘bezocht’ door de Franse troepen. Met desastreuze gevolgen voor beide dorpen. Veel inwoners vluchtten naar het Westen, veilig achter de Waterlinie.

Ik loop Nieuwerbrug in en sta dan aan de Oude Rijn, bij de enige particuliere tolbrug van Nederland, die wordt beheerd door de bruggemeesters namens het dorp. Nieuwerbrug werd in 1651 gesticht bij een nieuwe brug over de Oude Rijn. Dit dorp lag ooit in vier gemeentes, waardoor het in een uithoek lag. Dat heeft dorp een geheel eigen karakter gegeven en men is gewend zelf veel te regelen. Een bijzondere uiting daarvan is de Eeuwfeesttoren of Onafhankelijkheidstoren. In 1913 bestond het koninkrijk Nederland 100 jaar en de inwoners wilden dat met deze toren herdenken. Ze brachten zelf het geld bij elkaar en bouwden de toren zelf. De kerk er tegenover uit 1917 werd gebouwd zonder klokkentoren en gebruikte jarenlang de klok van het torentje aan de overkant. Het torentje is tevens het kleinste museum van Nederland, helaas nu niet open.

Ik loop verder langs de oever van de Oude Rijn, eerst over een voetpad, dan een fietspad. Aan de overkant van de rivier staat hoeve Knodsenburg, in 1672 één van de plaatsen waar Willem III zijn hoofdkwartier had. Deze hoeve uit 1588 was oorspronkelijk een buitenplaats, later een boerderij.

In Nieuwerbrug zelf werden in 1672 twee schansen opgeworpen, en in 1673  richting Bodegraven nog één, daar waar de Enkele Wiericke in de Oude Rijn stroomde. Dit fort is er nog steeds en is daarmee het oudste restant van de Hollandse Waterlinie. Het grote fort is nog voorzien van poorten uit 1673 en ook de manschapsverblijven hebben de eeuwen getrotseerd.

Het terrein rondom het fort diende ook als kampement voor de Staatse troepen en als hoofdkwartier van de prins. In de tent van de prins is ooit het kind van een Woerdense schipper en zijn vrouw gedoopt. Bij het stellen van de inundatie, werd de Bodegraafse sluis vastgezet en bij Nieuwerbrug een dam opgeworpen. Zo kon het water de polders instromen, maar de schipper kwam met zijn hoogzwangere vrouw aan boord van hun schip vast te zitten.

In Bodegraven ben ik weer terug bij mijn beginpunt. Bodegraven werd al in de Romeinse tijd bewoond. Het lag aan de noordgrens van het Romeinse Rijk, de ‘Limes’. De Romeinen legden er kampementen, havens en een weg aan. De grens werd versterkt met castella, bemand door Romeinse legioenen en hulptroepen. Er ontstonden langs de weg die naast de Limes liep op vele plekken nederzettingen, waaronder het huidige Bodegraven.

In de late middeleeuwen werd rondom Bodegraven, dat in een moerassig gebied lag, veel land ontgonnen. Dit zorgde voor het typische verkavelingspatroon van dit gebied. De ontginningen werden uitgevoerd vanaf de hoger gelegen rivieroevers van de Oude Rijn, de Meije en de Oude Bodegrave. Haaks hierop werden kavelsloten gegraven, en zo’n 1250 meter verder een zogenaamde achtersloot.

In 1672 lag Bodegraven vlak achter de Hollandse Waterlinie. Toen het water bevroor in de winter van 1672/73 werd het lot van Bodegraven bezegeld. De Fransen trokken over het ijs op naar de Meije en verder naar Zwammerdam. Tussen Zwammerdam en Alphen werden zij staande gehouden en uiteindelijk teruggedreven. Inmiddels was het gaan dooien en was de enige vluchtweg via de dijk langs de Oude Rijn. Zij kwamen daardoor langs Bodegraven, dat met de grond werd gelijkgemaakt.

In 1870 trof een tweede ramp het toen weer florerende Bodegraven. Een bakkerij vloog in brand en die legde een groot deel van Bodegraven in de as. 130 gezinnen dakloos, meer dan 100 huizen verbrand. Een landelijke collecte bracht Bodegraven weer op de been. Door deze rampspoed oogt Bodegraven minder oud dan het is.


Plaats een reactie