Tilburg is, net als Enschede, Hengelo en Almelo, een textielstad geweest. Ik was wel eens in het centrum geweest, maar door de ontwikkeling van Tilburg is er geen oud centrum.
Het gebied van Tilburg bestond tot aan de 18e eeuw uit herdgangen, de dagelijkse rondgang van een herder met zijn kudde vanuit de diverse buurtschappen. Pas met de komst van wolindustrie in de 18e eeuw groeiden de herdgangen aan elkaar. Nog steeds is dit zichtbaar in het stadsbeeld. Ik loop richting Goirke, een voormalige herdgang, en kom door het Wilhelminapark. De driehoekige vorm en de vijver verraden nog het vroegere doel. De straten tussen deze herdgangen werden bebouwd en vormden linten die met elkaar de latere stad Tilburg gingen vormen. Trouwens, het gebied van en rondom Tilburg mag dan al duizenden jaren bewoond zijn, stad is het pas sinds 1809. De eerste koning van Nederland, Lodewijk Napoleon, verleende op 18 april van dat jaar de stadsrechten.
Ik ben onderweg naar het Textielmuseum en loop langs oude industriële gebouwen, een voormalig klooster, langs mooie huizen en huisjes, moderne gebouwen en het oude rangeerterrein.
De ooit aanwezige schapenteelt ligt aan de basis van de groei van Tilburg. Omstreeks 1600 was het de belangrijkste wolstad van Brabant en midden 18e eeuw overvleugelde het de bijna compleet weggevallen Nederlandse textielindustrie.
In de 18e eeuw werd door Leidse kooplieden wol ingekocht, onder meer vanuit Spanje. Na sortering ging dat naar Tilburg, waar het door thuisarbeiders werd bewerkt. Leidse drapeniers (lakenondernemers, laken is wollen stof) vestigden zich vervolgens zelf in Tilburg en steeds meer wolbewerkingen werden in Tilburg uitgevoerd, zoals vollen. Later ook weven (in 1739 waren er in Tilburg 700 weefgetouwen) en nog weer later verven.
Eind 19e eeuw werd Tilburg groot door die wolindustrie. In 1871 telde de stad maar liefst 125 wollenstoffenfabrieken. Niet voor niets heette Tilburg dan ook wolstad. Een aantal van de oude fabrieken staat er nog. En in één van die fabrieken zit het Textielmuseum.
In het Textielmuseum is een tijdelijke tentoonstelling van prachtig borduurwerk: de Chinese gordijnen uit Paleis Huis ten Bosch zijn hier te zien én de nieuw ontworpen en uitgevoerde gordijnen.
Zelf heb ik wel geborduurd. Ik heb nog een boekenlegger, ooit door mij geborduurd voor mijn vader. Ik was toen 8 of 9. Ook hebben mijn zussen borduurwerken in hun bezit, van onze grootmoeder en overgrootmoeder, dus meer dan een eeuw tot zelfs 150 jaar oud, kruissteekborduurwerken, die in niets lijken op het verfijnde borduurwerk dat ik vandaag mag bekijken.
In 1791 kregen stadhouder Willem V en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen prachtige banen geborduurde stof cadeau van de gezant van de VOC. De stof werd gebruikt om gordijnen en haardschermen van te maken en stoelen mee te bekleden. Tegen de VOC wordt nu heel anders aangekeken dan vroeger, maar het gaat me nu om het handwerk van de Chinese borduurders, nu ruim 230 jaar oud.
Wat een verfijning, wat een kleuren, en wat een prachtige voorstellingen: het Chinese leven, maar dan wel geïdealiseerd.
Helaas, vooral de gordijnen zijn sleets geworden. Grote scheuren, verdwenen gezichtjes, het is jammer, maar na deze tentoonstelling worden de stoffen geconserveerd en zijn ze niet meer te bezichtigen.
Daarvoor komen nieuwe gordijnen in de plaats. Ze hangen er in volle glorie. Heel herkenbaar allemaal: de brug bij Bommel, een fietser, de Oosterscheldekering, de Paleizen op de Dam en Het Loo, de bruggen van Servaas en Erasmus. Allemaal met de machine geborduurd. Uren en uren zijn gaan zitten in ontwerp, kleurenkeuze, programmeren machine, draadspanning en de verschillende steken.
Wat de gordijnen extra bijzonder maakt zijn de geappliceerde borduurtjes. Gemaakt door borduurders uit het hele land, incl. de koningin. Die zijn er later met de hand opgezet, waardoor er diepte ontstaat.
Ik slenter verder door het museum en kijk mijn ogen uit bij de weefgetouwen, bij de diverse ontwerpers en ontwerpen, de brei- en borduurmachines. En de dekenweverij: er ligt een AaBe deken. Ik zie het merkje en ben gelijk weer even bij mijn ouders thuis, lekker onder de behaaglijk warme dekens.
Als laatste de damastweverij. Er hangen grote ponsboeken aan de weefgetouwen, het lijken wel de boeken van een draaiorgel. Deze ponsboeken bevatten de damastpatronen. Damast komt uit Syrië, het heet dan ook naar de hoofdstad Damascus. Er is in Syrië damastweefsel gevonden, gedateerd in de 2e eeuw. Door de speciale wijze van weven kun je in strijklicht het patroon zien, in één kleur. Verbazingwekkend hoe de manier van het weven, de schering en inslag, het weefsel beïnvloedt.
Uitsmijter: De wolindustrie zorgde ook voor de bijnaam van de Tilburgers: kruikezeikers. Urine werd gebruikt om wol te wassen én bij het verven met bepaalde kleuren. Die urine werd opgevangen door in kruiken te…? Juist!








