Op deze laatste dag van 2022 ga ik naar Leerdam. Als ik uit bed stap is het compleet herfst. De regen wordt door de wind horizontaal door de straat gejaagd. Niets nodigt uit om naar buiten te gaan. Ik doe toch mijn boodschappen en stap even later in de auto om naar Leerdam te gaan. Op de parkeerplaats wacht ik de ergste regen even af en ga dan op pad. Voor weer een waterlinieommetje.

Maar dan een wandeling in een stadje dat géén deel uitmaakte van Holland en dus niet beschermd werd door de Waterlinie. Het mocht zelf de eigen verdediging uitzoeken. Men beschikte over één (!) kanon en kocht snel kogels en buskruit. Maar zoals te verwachten, haalde dat niet veel uit. Via de Waaldijk rukte het Franse leger op naar Leerdam. Over de Linge werd een brug geslagen en de stad werd belegerd. Leerdam koos voor ‘neutraliteit’, dat wil zeggen brandschatting betalen. En het kanon? Dat werd meegenomen door de Fransen, zonder ook maar één schot te hebben gelost. Leerdam verviel in armoede, ook al omdat de omliggende Albasserwaard en Vijfheerenlanden waren geïnnundeerd, waardoor het boerenland langdurig onrendabel was.

En dat terwijl Leerdam voordien een welwarend handelsstadje was en de Linge een drukbevaren rivier. Het was een vierkantig stadje, omgeven door een wal met stadsmuren. In de zuidwestelijke hoek stond, gescheiden door een gracht, het kasteel van Leerdam. In 1143 wordt Leerdam voor het eerst genoemd, als Ter Lede of Ter Leede. De Leede was een riviertje dat hier aftakte van de Linge richting Meerkerk waar het via veenstroompjes richting Merwede, Linge en Lek stroomde.

Het gebied rondom Leerdam behoorde aan de Heren van der Lede, later aan de heren Van Arkel. In 1382 verkrijgt Leerdam stadsrechten van Otto van Arkel en in 1407 nog een keer, van graaf Willem VI van Holland. In 1428 kregen de Egmonds het gebied in handen en daarna ging het over op de Oranje-Nassau’s, via Anna van Buren, enig kind van Maximiliaan van Egmond en echtgenote van Willem van Oranje. Zodoende draagt koning Willem-Alexander de titel graaf van Leerdam.

In 1574 werd het kasteel verwoest en nooit herbouwd. In de 18e eeuw werd hier een hofje gebouwd, het hofje van mevrouw van Aerden. En in de 18e eeuw kwam er glasindustrie in Leerdam. Daarmee kwam het stadje weer tot bloei.

Helaas is in de 19e eeuw vrijwel de gehele middeleeuwse vesting gesloopt, op de Zuidwal na. Die beschermde nl. tegen het Lingewater. De Noordwal, Westwal en Oostwal bestaan alleen nog in naam. De Grote Kerk is er nog, en verder nog de mooie Zuidwal met prachtige torenwoninkjes, de muizentorentjes genoemd. En het stratenpatroon is nog hetzelfde.

Ik wandel op mijn gemak over de Lingedijk richting het glasmuseum. Ik kom langs de glasfabriek die er nog steeds staat. Begin 20e eeuw zijn er twee directeurswoningen gebouwd aan de dijk, net iets voorbij de fabriek. Deze woningen zijn op ingenieuze wijze aan elkaar gekoppeld door loopbruggen. En in deze twee panden is het glasmuseum gevestigd. De loopbruggen tonen stukken uit de collectie. Er is een tentoonstelling over glazen kerstballen, met uiteraard een opgetuigde kerstboom. Er zijn prachtige glasserviezen te zien, maar ook kunstvoorwerpen. En gegraveerde en geëtste glazen ruiten.

Na het glasmuseum ga ik naar de glasblazerij, die gevestigd is in een voormalige houtopslagloods aan de Linge. Hout was nodig voor de ovens van de glashut in de 18e eeuw én voor de fruitkistjes van de Betuwe. De ovens in de loods branden nu op gas.

We zien hoe de glasblazer met gloeiend heet glas in de weer is, voorzichtig, continu draaiend aan de pijp, kleur toevoegend, knijpend met pincetten, rollend met nat karton of een schep van nat perenhout. Aan het eind van het proces wordt een glazen bol met daarin een lelie aan ons getoond. Deze gaat de koeloven in en 24 uur later zal pas duidelijk zijn wat het precies geworden is.

Glas komt in de natuur voor, als vulkanisch glas, obsidiaan genoemd. Het is verglaasd gesteente dat onder perfecte omstandigheden kan ontstaan. Perfect voor obsidiaan, dan.

Al 5000 jaar geleden werd er door mensen glas gemaakt, in toenmalig Mesopotamië, een gebied dat liep van Noord-Syrië naar Noord-Irak en Zuid-Iran. Dat glas werd gemaakt in potten boven open vuur uit sodarijk zand. Kralen, dat maakten ze toen. En kleine flesjes, door draden vloeibaar glas om een kleivorm te wikkelen en de klei er later uit te peuteren.

Ruim 2000 jaar geleden werd de blaaspijp ontwikkeld, ook in dit gebied. En er kwamen gesloten oventjes, met dus een hogere temperatuur. Zo kon glas heter worden en dus beter vloeibaar en beter te vormen.

Behalve de technieken van draaien en vormen van de pijp met gloeiend heet glas, moet je ook de temperatuur in de gaten houden. De smeltoven is 1270 graden, de werkoven staat iets lager, ruim 1100 graden. Na bewerking moet het glas afkoelen in een oven van 500 graden, omdat het anders uit elkaar spat. Die oven koelt in 24 uur af naar kamertemperatuur. Daar hebben we nu allerlei middelen voor om dat te controleren, maar hoe ze dat 2000 jaar geleden gedaan hebben?

Tuurlijk, je kan dit proces beschrijven, En ook het chemische proces van glas maken. Zand, soda, kalk, hitte, blazen, vormen, etc. Maar dan nog…

Hoe kom je op het idee dat je dit überhaupt zou kunnen maken? En dat je dan kleuren kunt toevoegen, kunt blazen en vormen, er nuttige voorwerpen van kunt maken, maar ook sieraden en objecten, gewoon omdat het mooi is.

Ik sta altijd weer verbaasd door het menselijk vernuft.


Plaats een reactie