‘Ik ben van plan om over de eikeldragende bomen te vertellen, die als eerste het voedsel van de stervelingen leverden – voedsters van een hulpeloos en woest geslacht. Eerst moet ik – op grond van eigen aanschouwing – aandacht geven aan welk en wat voor soort leven er is voor mensen die zonder enige boom, zonder struik leven.

Ook in ons verslag over het oosten hebben we verscheidene volkeren aan de Oceaan besproken die met dat gebrek leven. Ik heb echter ook in het noorden de stammen van de Chauci gezien, die ‘de grote’ en ‘de kleine’ heten. Met een ontzaglijke gang beweegt zich daar met tussenpozen van tweemaal alle dagen en nachten de uitstromende Oceaan over onmetelijke weidsheid, en bedekt wat een oeverloze discussie van de natuur is en (het blijft) twijfelachtig of het een deel van het land of van de zee is. Daar, een meelijwekkend volk, zitten ze op hoge bulten of ‘podiums’, opgebouwd met eigen hand tot waar naar hun ervaring de hoogste vloed reikt. Met hun huisjes die daarop gezet zijn, lijken ze op zeelieden wanneer het water de omgeving bedekt, maar op schipbreukelingen wanneer het water weggetrokken is, en jagen ze rond hun hutten op vissen die wegvluchten met de zee.

Het is hun niet gegeven om vee te houden en zich met melk te voeden zoals hun buren, zelfs niet om met wilde dieren te strijden, omdat elke begroeiing ver verwijderd is. Uit riet en moerasbies knopen ze touwen om visnetten te vlechten. Met de hand verzamelde modder laten ze, meer door de wind dan in de zon, drogen: met aarde verwarmen ze hun voedsel en hun lijf, verstijfd door de noordenwind.

Ze hebben geen ander drinkwater dan regenwater dat ze bewaren in kuilen in de voorhof van het huis. En als vandaag de dag deze stammen overwonnen worden door het Romeinse volk, noemen ze dat slavernij! Zo is het inderdaad: het lot spaart velen door ze te straffen.’

Dit zijn niet mijn woorden, hoor! Aan het woord is Gaius Plinius Secundus maior, beter bekend als Plinius de Oudere, militair, letterkundige en amateur-wetenschapper. Hij leefde van ca 23 tot 79 na Christus. In 77 verscheen zijn werk Naturalis Historiae. En daaruit komt deze passage over wat nu Friesland en Groningen is.

Er is sprake van terpen (check), weinig of geen bomen (inderdaad), geen vee (nou, dat is er nu wel), de binnenstromende zee (niet meer), jagen op vissen (Urkers vissen vanuit Harlingen).

Ik fietste vandaag een behoorlijke afstand. Vanuit Holwerd naar Blije waar ik ter kerke ging. Langs Ferwert, Hallumerhoek en Oude Leije. Ik kwam daar over een spoordijk waar vroeger de lijn Stiens-Harlingen lag.

Na Vrouwenparochie volgt Sint-Annaparochie waar ik eerst maar eens pauzeer. Het valt niet mee vandaag. Ik heb de wind op de kop en krijg de vaart er niet in. In Sint-Jacobiparochie staat een on-Nederlands aandoende gele Waterstaatskerk. De Sint Jacobskerk, startpunt van het Jabikspaad naar Hasselt.

Grappig detail: Vrouwenparochie heette ooit Kijfhoek, Sint-Annaparochie Altena en Sint-Jacobiparochie Wijngaarden. Naar de dorpen in Zuid-Holland en Brabant waar de eerste bewoners in de 16e eeuw vandaan kwamen. Ze spreken hier ook geen Fries, maar Bildts.

Ik blijf de N393 volgen naar Minnertsga, Tzummarum, Oosterbierum en Sexbierum. Eindelijk is Harlingen in zicht. Ben er nog lang niet, maar eerst pauzeren. Aan de haven, met poffertjes! En mooi zicht op de bedrijvigheid in de haven.

Ik fiets verder, westelijk van de Zeedijk, maar nog steeds wind tegen. Bij Pingjum hou ik dat maar voor gezien en ga ik aan de andere kant van de dijk fietsen. Bij Zürich steek ik de A7 over naar Makkum.

Eindelijk wind opzij en zelfs in de rug, zo nu en dan. Tussen Workum en Hindelopen moet ik zijn. Op camping Welgelegen.

Ik krijg een hut in de vorm van een VW bus. Na de douche laat ik me een 0.0 biertje en pizza goed smaken. Zo vergeet ik deze zware dag snel.

O, en Sexbierum komt van Sixtisberen. Zo wordt het in 1275 geschreven. Sixtus naar paus Sixtus en beren naar het Oudfriese bêre dat schuur of huis betekent. Dus huizen van Sixtus.

78 km op de teller, maakt 514.


Plaats een reactie