Even een trip down memory lane.
Mijn vader is geboren in Spakenburg, nu ruim 90 jaar geleden. Als kinderen kwamen we daardoor vaak in Spakenburg. En omdat het vandaag Spakenburger dag is, gaan we erheen.
In Eemnes stappen we op de fiets en door de Eempolder gaat het op de pittoreske Eemnessersluis aan. De pontbaas bij Eemdijk heeft het maar druk. Net als hij wil overvaren komt er op hoge snelheid een plezierjachtje aan over de Eem. Het lijkt alsof de schipper nog voor de pont langs wil. Maar gelukkig, hij houdt in op het laatste moment.
In Spakenburg is het druk en gezellig. De kraampjes met klederdrachtstoffen trekken onze aandacht. Ik hou zo van die kleurtjes. In Museum ’t Vurhuus heet een gastvrouw in klederdracht ons hartelijk welkom en na de koffie met hart (o, zo lekker) maken we een rondje door het museum.
Het leuke van dit museum is dat het gevestigd is in diverse huisjes waarbij de tussenliggende steegjes ook in het museum zijn opgenomen. Mijn vader woonde hier vlak bij en kende deze steegjes en huizen goed. Hij speelde hier vroeger verstoppertje.
Er is een taander met zijn grote taanketel. Cachou, afkomstig uit de bast van acaciabomen, wordt met water in een grote ketel aan de kook gebracht en dan worden de netten in de ketel gedompeld. Vroeger waren netten van katoen en dit tanen was een conserveringsmethode. De zeilen werden vroeger op de grond gelegd en met een borstel ingesmeerd. Tanen zorgt voor de typische bruine kleur van de zeilen, waardoor de term bruine vloot is ontstaan.
Met de BU155, een botter uit 1941, maken we vervolgens een tochtje de haven uit, het Eemmeer op. Langs de Rode Schuur, de meer dan 350 jaar oude scheepswerf, en botter De Grote Beer, een luxe botter, in 1940 gebouwd voor een stroman die namens Göring handelde. Ook zien we de typische huisjes aan de haven met her en der de merktekens van de vloed van 1916, de directe aanleiding tot de afsluiting van de Zuiderzee met de Afsluitdijk.
De vloot van Spakenburg telde op het hoogtepunt 200 botters. Ik heb thuis een schilderij uit de erfenis van mijn ouders met daarop uitvarende botters bij het havenhoofd. Zo totaal anders is het nu. Na de afsluiting van de Zuiderzee is de visvangst volledig teloor gegaan. Pleziervaart speelt nu de boventoon.
Op de terugweg stappen we af bij de visafslag. Die bestaat volgend jaar 100 jaar. Dit gebouw kwam op de plek van een ouder gebouw en was destijds heel modern. Aan weerszijden is een tribune waar in totaal 100 vishandelaren konden plaatsnemen.
Iedere plek heeft een knop met een nummer dat correspondeert met een nummer op de veilingklok. Vooraan zit je het best, daar wordt de handelswaar gewogen en op een soort lorrie getoond. Op 1 januari werden de plaatsen verloot en op 20 januari zat al bijna niemand meer op dezelfde plek. Als een arme vishandelaar vooraan zat, vroeg een rijkere die achteraan zat hem tegen een vergoeding te ruilen. Zo ging dat.
In Bunschoten fietsen we langs de stadweiden, ooit bedoeld voor de stad die Bunschoten zou moeten worden. Het is een voorbeeld van onvoltooide middeleeuwse stadsontwikkeling. De Spakenburger Gracht waar we langs fietsen is ontstaan uit een veenriviertje, net zoals de havenkom ontstaan is uit een kreek.
Tot op de dag van vandaag hebben beide plaatsen een eigen karakter, al zijn ze al lang aan elkaar verbonden door de nieuwbouwwijken. Bunschoten is vanouds het boerendorpje dat een stad zou moeten worden met stadsboerderijen aan de Dorpsstraat, Spakenburg is het vissersdorp met nog steeds veel bedrijvigheid die met het water te maken heeft.
De klederdracht is vrijwel uit het straatbeeld verdwenen. Maar ik herinner het me nog zo goed van vroeger. Daarom koop ik een schort van Spakenburger stofjes.
PS: hart is een Spakenburger koekspecialiteit. Eigenlijk net niet gare dunne boterkoek met glazuur versierd. Je houdt ervan of niet…








